
De oude Grieken vereerden vele goden.
Eén van hen is Dionysos (bij de Romeinen
later Bacchus genoemd), een buitenechtelijke zoon van oppergod Zeus en de
sterfelijke vrouw Semele.
Dionysos werd god van de vruchtbare natuur, later
specifiek verbonden met de wijnbouw.
Dikwijls is hij afgebeeld met een
druiventros of wijnbeker in de hand en een krans van druivenbladeren op het
hoofd. In zijn jeugd ontdekte hij de wijn door druiven te persen.
Wonderlijke
wezens waren daar getuige van: de satyrs.
Zij waren half dier, half mens en te
herkennen aan puntige oren, een platte neus, een baard, een staart en soms
paardenbenen of bokkenpoten.
De satyrs maakten voortaan deel uit van Dionysos
gevolg.
De satyr dronk, danste en bedreef seks en werd zo een personificatie van
de grove zinnelijke instincten van de mens.
De rest van het gezelschap bestond uit silenen en maenaden (letterlijk: de
razenden).
Silenen waren oudere satyrs met baard, die worden gezien als leiders
van de satyrs.
Maenaden waren wild dansende vrouwen in extase door de wijn en
die in deze toestand ook nog behoorlijk destructief konden worden, maar dat is
weer een ander verhaal.
Dionysos werd overigens ook vereenzelvigd met de wijn.
Bij het drinken ervan
kreeg je een god-in-de-mens-ervaring (enthousiasmos).
Die roes diende vooral in
de winter een hoger praktisch doel: de god Dionysos oproepen om terug te keren,
om de groei van de natuur nieuw leven in te blazen.