Witte vrouwen (Witte wieven) vinden hun oorspong al in de Germaanse tijd. Omdat
de witte vrouwen de gaven van waarzegging en toekomstvoorspelling bezaten, genoten
deze groot respect bij deze stammen. Ze werden ook wel heksen genoemd. Het "witte"
heeft eigenlijk geen betrekking op de kleur, maar op wijs (van weten). Uit hun
midden werden priesteressen gekozen. Na het overlijden van de vrouwen bleef
men deze eren bij de grafheuvels. Daar meende men ook de witte juffers als uit
de doden opgestane spoken bij hun graf rondwaren (mistflarden).
Vooral gedurende de kerstening en de tijd erna werd de bevolking bang gemaakt
voor duivels, spoken, heksen, ketters en andere verschijnselen. De witte vrouwen
ondergingen een metamorfose. In plaats van wijs werden het kwaadaardige spoken,
die je maar beter kon ontwijken. En dat kunnen we de Middeleeuwers ook moeilijk
kwalijk nemen. Stelt u zich maar eens voor: Een donker bos bij helder maanlicht
en het lichte ruizen van bladeren of de wind door het gras. De roep van een
uil en het verre huilen van een wolf. Daartussen nevelflarden die steeds maar
weer andere vormen aannemen en dreigend hun uitlopers uitspreiden. Tussen de
bomen en de velden leken deze mistflarden al gauw op de witte vrouwen die met
hun onzichtbare zeisen het gras maaiden (feitelijk het ruizen van de wind),
of achter hun spinnewiel zaten.
De naam Witte vrouwen leeft in de stad Utrecht ondermeer nog voort in de straatnaam
Witte vrouwensingel. De twee sagen die hier opgenomen zijn spelen zich af in
Montferland en bij Lochem in de Achterhoek, nabij Barchem in de Witte wievenkoel.

HET WITTE WIJF VAN MONTFERTLAND
Zolang je de witte wieven niet lastig valt, zullen deze je geen haar
krenken. Maar een boertje uit Beek, die 's avonds op weg naar huis door de bossen
van Montferland liep, vroeg met zijn dronken kop aan een witte vrouw of deze
met hem wilde dansen. En dat heeft het boertje geweten. De hele nacht bleef
ze met hem dansen. Vele malen wilde het boertje er een eind aan maken, maar
dat lukte maar niet. Hij werd gedwongen door te gaan, zelfs toen hij het niet
meer aankon. Het zweet gutste van zijn hoofd als op een hete zomerdag toen hij
rogge aan het maaien was. Bidden en smeken om op de houden hielp niet. En toen
de dag aanbrak viel het boertje dood voor de voeten van het witte wijf neer.
Links: De dans van het boertje met witte wieven
DE WITTE WIEVEN
VAN LOCHEM
In een diepe kuil, even ten zuidwesten van Lochem, hebben vele jaren drie witte
wieven gewoond. Overdag lagen zij in het zand en waren daarvan niet te onderscheiden.
Eerst des avonds stegen zij omhoog en vlogen als nevelen over de vlakte. Herbert
en zijn zusje waren niet bang voor de witte wieven. Als kinderen gingen zij
's avonds vaak langs de kuil om nog een boodschap voor moeder te doen. Wanneer
ze dan in de verte de nevelen zagen rijzen en dalen, wezen de kleine vingertjes
er zonder vrees naar. Soms zelfs daalden zij in de kuil en plukten er bloemen.
Dan gleed meermalen de oudste der witte wieven spiedend langs hen heen, de klauwen
uitgestrekt als een kat, die aangevallen wordt. Doch wanneer zij de kinderen
dan onder elkaar hoorde lachen, toog ze weer geruisloos verder. Daarom kende
Herbert, ook toen hij ouder geworden was, geen vrees voor de witte wieven. Zijn
buurmeisje Johanna, de dochter van Scholte Lodink, waarschuwde echter op zekere
dag: "Ga niet weer in de kuil, Herbert, want van de witte wieven is nog
nooit iets goeds gekomen". Sindsdien daalde Herbert niet meer naar beneden.
Wanneer hij des avonds de kuil voorbij kwam, liep hij snel door naar huis. 't
Was of hij Johanna's stem zacht hoorde zeggen: "Nee - nee, Herbert."
Er was een eigenaardig warm gevoel in
hem, dat hij nog niet eerder had gekend. Herbert's ouders en ook Scholte Lodink
en zijn vrouw merkten dit alles zeer wel op. Glimlachend bekenden zij elkaar,
dat Herbert en Johanna wel eens een paar zouden kunnen worden. "Als dat
eens waar was", zei Scholte Lodink vrolijk, "dan zou er in heel Lochem
geen tweede paar gevonden worden met meer rijkdom. Maar", voegde hij er
aan toe, "ze moeten niet gedwongen worden. Al zou mijn dochter willen trouwen
met een keuterboer, dan zou ze evengoed mijn toestemming krijgen." Zijn
vrouw antwoordde hierop niet, maar ze dacht: "t Is maar goed, dat Herbert
en Johanna bij elkaar zijn, want mijn dochter zal niet met een arme jongen trouwen."
Enige jaren later kon Scholte Lodink zijn woorden waar maken. Herbert's ouders
hadden buiten hun schuld alle spaarpenningen verloren. Toen waren de gedachten
van Johanna 's moeder vol zorg over de toekomst. Moest de dochter van Scholte
Lodink nu rouwen met zulk een armoezaaier, die alleen met de handen zijn brood
kon verdienen? Ze ging voor de haard zitten en peinsde. Wat haar inviel was
niet gelukkig voor Herbert en Johanna. Zij ontdekte een andere vrijer voor haar
dochter, die alles had, wat je van een
huwelijkskandidaat verwachten kon Albrecht. Albrecht was een kloekgebouwd man
en hij was rijker dan wie ook in de Achterhoek. Hoe zou ze beiden bij elkaar
kunnen brengen, zonder dat Johanna haar sluwe opzet gemerkte? Het toeval hielp
haar, want korte tijd later ontmoette zij Albrecht. "Je moest eens een
avond je bij ons komen praten", nodigde zij uit. De list gelukte prachtig,
want Albrecht nam de uitnodiging aan en begaf zich op een avond naar het erf
van Scholte Lodink. Natuurlijk was toen ook Johanna thuis, daar had haar moeder
wel voor gezorgd. Het gesprek verliep echter anders dan zij gehoopt had, want
Scholte Lodink wist iets bijzonders over Herbert te verhalen. Herbert was op
een
avond te paard uit Lochem gekomen. Hij reed op een smalle weg, toen plotseling
een vogel met luid ge- schreeuw opvloog. Het paard schrok en sloeg op hol in
de richting van de witte wieven kuil. Ongetwijfeld zou Herbert omlaag gestort
zijn, als niet de oudste der witte wieven hem te hulp gekomen was. Ze sprong
op en greep met haar klauwen het paard in de manen. Even nog trilde het angstige
dier, voordat het, nog juist op tijd, tot stilstand kwam. Herbert klopte het
bemoedigend tegen de nek en deed het rustig keren. Op het ogen blik dat hij
gevaar liep verpletterd te worden. zag Herbert zich nog kans om een blik in
de kuil te werpen. Hij zag daar een vuurtje, waarboven een vogel hing, net geplukt
of het door mensenhanden was gedaan. Zij braadden 't vlees, de witte wieven.
't Was maar goed, dat Herbert zijn ogen zo goed de kost gegeven had, want daardoor
was hij in staat later hij te bewijzen. Thuis gekomen, vertelde hij wat er gebeurd
was. Hij vroeg aan zijn zuster of zij een driekoningenkoek wilde bakken, bruin
van korst en zoet van binnen. Hij wilde die voor zonsondergang naar de witte
wieven brengen. Zijn zuster wilde dit met plezier voor hem doen, onder voorwaarde,
dat ze met hem mee mocht naar de kuil. Herbert wilde daar eerst niet van weten,
maar moest tenslotte toch toegeven. Toen bakte
zijn zuster een driekoningenkoek. Ze legde haar op een aarden schotel en omstak
het gebak met een krans van groen klimopbladeren. Terwijl Herbert de schotel
naar beneden bracht, wachtte zijn zuster boven aan de rand van de groeve. Wel
klopte haar hart van angst, maar zij hield zich moedig. De volgende dag ging
Herbert nog eens naar de kuil. In de diepte zag hij de schotel lig gen, met
de klimopbladeren er naast. Na dit verhaal wilde het gesprek tussen Johanna
en Albrecht niet best meer vlotten. Johanna trok een gezicht alsof zij engelenmuziek
had gehoord. Wat was Herbert toch goed en moedig van harte. Zelfs in de witte
wieven kuil was hij gedeald om zijn dankbaarheid te bewijzen. Albrecht zat naast
haar en 't woord "Herbert" was in zijn bewustzijn gelijk een vloek,
terwijl hij het mooie
meisje aankeek. Was hij eigenlijk minder dan Herbert? Diep in hem brandde de
wraaklust. Hij zou trachten Herbert als dagloner te krijgen, zodat hij hem kon
laten slaven. Herbert was knecht en hij de meester, dat zou hij Johanna duidelijk
maken. Zijn plannen stonden vast toen hij afscheid nam. Die avond nog had de
arme Scholte Lodink meer van zijn vrouw te verdragen dan tijdens zijn gehele
huwelijk daarvoor. Of hij zich soms verbeeldde, dat zij haar toestemming zou
geven tot een huwelijk tussen Herbert en haar dochter? Wist hij dan niet, wat
Albrecht bezat en wat hij zou erven? Wat deed het ertoe of iemand in de witte
wieven kuil daalde, dat durfde Albrecht ook, als 't daarom te doen was. Of er
in
het leven niet nog heel wat anders kwam kijken. Wel twee uur ratelde ze zo door.
Eindelijk lukte het Scholte Lodink haar stop te zetten: Was Albrecht even moedig
als Herbert? Dat had hij te bewijzen. Boven het geld stond mannenmoed. Scholte
Lodink kwam met een plan voor de dag. Dit zou hij van de beide minnaars eisen:
Te middernacht zouden zij naar de witte wieven kuil rijden, Herbert naar de
west rand, Albrecht naar de zuidrand. Gelijktijdig moesten ze dan een haarspit
(d.i. een ijzeren pin, waarop de zeis geslepen werd) in de kuil werpen om niet
in de macht van de witte wieven te vallen. Toch wilde hij voor Johanna alles
volbrengen en rustig reed hij op de vastgestelde avond naar de westrand van
de kuil. In de verte hoorde hij de hoefslagen van Albrechts paard. Hij dreef
de bles met een kort woord aan, tot hij kort voor de groeve stond. Albrecht
was er nog niet. Hij wierp het haarspit met kracht naar beneden en riep met
forse stem: "Wit-wit-wit, hier komt een ijzeren spit". Woest ijlde
de bles de berg af. Uit de kuil steeg één van de witte wieven
omhoog, haar klauwen uitgespreid en de mond wijd geopend. Onmiddellijk was ze
achter de ruiter. De stormwind stak op en de takken van de bomen kraakten. De
witte wieve kwam zo dicht bij Herbert, dat hij haar adem voelde. Hij zette het
paard tot meerdere drift aan. "Hahaha" gierde de witte wieve. "Herbert,
je kunt me niet ontkomen. Voor het huis van de Scholte zullen mijn klauwen je
hebben. Sta maar stil met je paard, dat is te oud voor zulk een wedloop. Albrecht,
die een vurig ros heeft gekocht, heeft het zelfs niet gewaagd met mij te wedijveren.
Halverwege is hij omgekeerd." Als de witte wieve geloofde, dat zij Herbert
met deze woorden zou tegenhouden, vergiste zij zich. In de ruiter was moed en
in het dier angst. Vooruit hij voelde al even haar klauwen langs de nek, toen
hij 't erf van Lodink opreed. Een hard voorwerp suisde hem na. De witte wieve
haastte zich terug. "Hoezee" riep de Scholte, "over een paar
dagen zal er bruiloft zijn." Johanna viel de kranige ruiter om de hals.
"Heeft ze je niet geraakt?" vroeg ze bezorgd. Herbert stelde haar
gerust, maar vertelde ook dat ze hem nog iets na gegooid had. Ze zochten op
het erf. Herbert begon plotseling te lachen. "Ze wil ook niets houden",
zei hij, "het is een stok van de schotel, die wij haar gegeven hebben".
Scholte Lodink raapte de scherf op en bekeek hem thuis onder de lamp. Een juichkreet
ontsnapte zijn keel: de schotel was van goud. Het was een huwelijksgeschenk
van de witte wieven.