Spokerij in de molen

De molenaar van Bergeijk werd geregeld door heksen in kattengedaante lastig
gevallen, vooral als hij ’s avonds of ’s nachts aan het malen was.
Op den duur werd het zelfs zo erg dat hij en zijn knecht haast niet meer in
de molen durfde te blijven.
Toen er eens een rondreizende molengast bij hem op bezoek was, vertelde hij
wat hij meegemaakt had.
Deze was echter voor de duivel nog niet bang en hij bood aan om de volgende
nacht in de molen te blijven.
De onbevreesde man zette twee kaarsen in de molen – een gewijde en een
ongewijde – en verder een ketel met vuur, want het was midden in de winter
’s nachts best koud.
Hij zat er nog niet lang, of achter de balken verscheen een miauwende kat. De
molenaar zei: “Hekske en poeske, waar kom je vandaan? Kom bij het vuur
en warm je eraan.”
Meteen kwam de kat naar de ketel, maar ze liep alleen op haar achterpoten en
haar voorpoten hield ze omhoog.
Toen kwam er nog een kat, en nog een, tot er tweeënveertig katten waren.
Toen begonnen al die katten tot grote verbazing van de hegmulder poot aan poot
rond de vuurketel te dansen.







De
hegmulder nam een oude sabel die ergens in de molen hing en sloeg naar de danseressen
dat horen en zien verging.
Toen de katten verdwenen waren, zag hij op de vloer een afgekapte middelvinger
van een vrouwenhand met een gouden ring eraan.
Op de ring stond de naam van de vrouw van de molenaar.
’s Anderendaags lag ze ziek in bed met een afgehakte vinger.
Het was dan ook niet moeilijk om uit te maken wie er zo lang gespookt had in
de molen.

Ik krijg er niet genoeg van en wil meer lezen