De oorsprong van de heksenwaan
Rob Nanninga
(Bron: Skepter 7(2), juni 1994)

Stichting Skepsis heeft "een kritische visie op pseudo-wetenschappelijke
beweringen, paranormale ervaringen, alternatieve therapieën en andere
randgebieden van geloof en wetenschap.
" Een nuttige site om ook eens de andere
kant van een verhaal te horen.
Hieronder een stukje over de heksenvervolgingen.
Vanaf de vijftiende eeuw werden er in Europa tienduizenden heksen verbrand. Zij
werden beschouwd als geheime duivelaanbidders die zich tijdens nachtelijke
rituelen overgaven aan vleselijke lusten en kannibalisme. Hoe kwam men op het
spoor van deze internationale satanssekte en wie waren de vermeende leden?
Ze komen op geheime plaatsen bijeen om baby's en kleine kinderen te offeren. Ze
slurpen het bloed van hun slachtoffers en verorberen hun vlees. Ze vereren het
geslachtsorgaan van hun priester en houden perverse orgieën waarbij volwassenen
met hun eigen kinderen copuleren. Incest, babyoffers en kannibalisme: dat waren
de gruweldaden waarvan de eerste christenen werden verdacht.
Het was geen toeval dat zij later dezelfde aantijgingen gebruikten in hun strijd
tegen joden en ketterse sekten. De joden werden beschuldigd van rituele moord op
christenkinderen, terwijl men aannam dat de ketters zich vooral te buiten gingen
aan orgieën.
De angst voor demonische invloeden nam in de loop der eeuwen sterk toe, zodat de
ketters er ook van werden beschuldigd dat zij de duivel en zijn trawanten
dienden. Gregorius IX beschreef in een pauselijke bul uit 1233 welke
bestialiteiten zich tijdens de nachtelijke rituelen afspeelden. Naar verluidt
gaf Satan acte de presénce in de vorm van een reusachtige zwarte kat die zich
onder de staart liet kussen. De paus verkreeg deze informatie van de fanatieke
Konrad von Marburg, die hij twee jaar eerder in Duitsland als inquisiteur had
aangesteld. De Duitse bisschoppen zagen echter weinig heil in zijn
onderzoeksmethoden, waarvan ook enkele hoog geplaatsten het slachtoffer werden.
Gelukkig werd Konrad al spoedig vermoord.
Op water en brood
Een van de meest hardnekkige ketterse sekten waren de Waldenzen. Zij werden
omstreeks 1173 gesticht door Petrus Waldus, een rijke koopman uit Lyon. Hij
baseerde zich op een tekst in Mattheus (19: 21): 'Indien ge volmaakt wilt zijn,
verkoop dan al wat ge bezit en geef het aan de armen...' Waldus volgde deze raad
op en begon de armoede te prediken. Toen de aartsbisschop daar een stokje voor
wilde steken, deed hij een beroep op de Heilige Stoel. Maar de paus liet zich
niet vermurwen, zodat Waldus zich gedwongen zag hem de rug toe te keren. Zijn
aanhangers vermenigvuldigden zich ook buiten Frankrijk en presenteerden zich met
enig recht als de ware christenen: ze verworpen de liederlijke levenswijze van
de geestelijkheid zonder de gevestigde dogma's in twijfel te trekken.
De Waldenzen werden dringend opgeroepen zich vrijwillig te melden en al hun
medeplichtigen aan te geven. In 1252 gaf paus Innocentius IV zijn inquisiteurs
toestemming om vermeende ketters door middel van ingenieuze martelwerktuigen tot
een bekentenis te dwingen. Ketters die slechts met moeite berouw toonden, werden
levenslang in een kerker opgesloten waar ze 'op het water van droefheid en het
brood van ellende' vergiffenis van God konden verkrijgen. Lichtere gevallen
kregen een 'alternatieve' straf opgelegd. Zij moesten zich bijvoorbeeld
regelmatig in alle kerken van de stad laten afranselen of ze moesten tien lange
pelgrimstochten voltooien. Verstokte ketters werden overgeleverd aan de
wereldlijke autoriteiten om te worden verbrand.
Aan het begin van de veertiende eeuw werd zelfs de invloedrijke orde der
Tempeliers als een duivelse sekte ontmaskerd. Dat was te danken aan de hebzucht
van Philips IV de Goede, die zich de bezittingen van de orde toeëigende. De
gearresteerde Tempeliers bekenden onder meer dat zij regelmatig op het crucifix
spuwden en een geheimzinnige kat vereerden, maar er waren ook velen die de
brandstapel prefereerden. Onder druk van Philips zag paus Clemens zich gedwongen
de orde te ontbinden (Cohn, 1975).
Kunstpenis
Vooral in de westelijke Alpen (het gebied tussen Lyon en Bern) waren veel
ketters te vinden, die in de veertiende eeuw hevig werden vervolgd. In dezelfde
streek moesten ook de Joden het massaal ontgelden. Zij werden ervan verdacht de
pest te verspreiden door een giftig poeder in de waterbronnen te strooien.
Uiteindelijk ontdekte men hier rond 1400 een nog veel ernstiger bedreiging: de
heksen. Zij vormden een satanische samenzwering die tegen de christelijke
gemeenschap was gericht. De heksen hadden een verbond met Satan gesloten, die
hun occulte vermogens verschafte waarmee ze hun naasten schade konden
berokkenen. 's Nachts vlogen zij zonder dat iemand het merkte naar hun
heksensabbat, waar zij naakt dansten, met de duivel copuleerden en ongedoopt
kindervlees aten.
De Egyptologe Margaret Murray publiceerde in 1921 en 1933 twee invloedrijke
boeken waarin zij betoogde dat de heksensabbat in werkelijkheid een oude
vruchtbaarheidscultus was die al eeuwen lang een ondergronds bestaan had geleid.
De aanhangers aanbaden niet de duivel maar de gehoornde god Dianus (of Janus),
een ceremoniële rol die door hun voorgangers werd vervuld. Om deze theorie een
schijn van geloofwaardigheid te geven, maakte Murray zeer selectief gebruik van
haar bronnen. Zo vertelde ze bijvoorbeeld over een heks die bekende te paard
naar de nachtelijke bijeenkomsten te reizen, zonder daarbij te vermelden dat dit
paard kon vliegen.
Murray's ideeën werden onder meer overgenomen door Martin Koomen (1973) in zijn
boek Het ijzige zaad van de duivel. Om te kunnen verklaren waarom de duivel zo
koud aanvoelde en een onbeperkte potentie had, veronderstelt Koomen dat de
priester gebruik maakte van een kunstpenis die water kon spuiten. Een
theologische verklaring ligt evenwel meer voor de hand: de duivel was koud omdat
hij geen bloed had. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat de vermeende
heksen werkelijk bijeen kwamen. Niemand heeft ze ooit tijdens hun sabbat kunnen
betrappen. Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat talloze middeleeuwers een
georganiseerde heidense religie aanhingen die pas in de vijftiende eeuw door de
autoriteiten werd ontdekt. Moderne historici hechten daarom geen waarde aan het
werk van Murray.
Nachtelijke vluchten
Het geloof in diabolische heksen kwam niet voort uit de ongeletterde bevolking,
maar ontstond doordat deskundige autoriteiten geleidelijk een aantal elementen
samenvoegden. Ten eerste waren er de geschriften en geruchten over geheime
groepen die in ondergrondse schuilplaatsen offers brachten, komplotten
beraamden, bacchanalen aanrichtten en orgieën hielden. Ten tweede was er een
wijdverbreid volksgeloof in vrouwen die 's nachts door het luchtruim vlogen
onder aanvoering van een heidense godin, die onder vele namen bekend stond
(Diana, Holda, Perchta, etc.) Uit vijftiende eeuwse bekentenissen blijkt dat er
waarschijnlijk vrouwen waren die geloofden dat ze hadden deelgenomen aan zulke
nachtelijke reizen (Ginzburg, 1989). De kerk had deze extatische ervaringen
aanvankelijk beschouwd als een illusie, maar ze kwamen nu goed van pas om te
verklaren hoe de heksen in staat waren in korte tijd grote afstanden te
overbruggen als ze naar hun sabbat gingen.
Een derde element was de opkomst van de rituele magie. In dertiende-eeuwse
boeken werd beschreven hoe je geesten of demonen kunt oproepen. Deze konden de
magiër onder meer helpen om een vrouw te verleiden, een verborgen schat op te
sporen of de toekomst te voorspellen. Hoewel de demonen niet werden aanbeden
maar gecommandeerd in de naam van God, veroordeelden theologen de magiërs als
ketters die in de greep van Satan waren. Ook allerlei populaire vormen van
tovenarij en het volksgeloof in vrouwen met kwade krachten werd geleidelijk
onder dezelfde noemer geplaatst. Magie, ketterij en heidendom werden omgesmeed
tot een satanische heksensekte.
Sommige historici hebben aangenomen dat de eerste heksenprocessen al in 1335 in
Toulouse plaatsvonden en een uitvloeisel waren van de strijd tegen de Katharen
in Zuid- Frankrijk. De Katharen waren dualisten die geloofden dat de materiële
wereld door een kwade god of duivel was geschapen (een stelling die nog steeds
te verdedigen valt). Ze verwierpen de sacramenten, beschouwden Christus als een
reddende engel die een schijnlichaam had aangenomen, en hadden een afkeer van
menselijke voortplanting omdat ze geen nieuwe zielen gevangen wilden zetten.
Hoewel de Katharen ernaar streefden hun ziel uit de boze wereld bevrijden,
werden ze vaak als duivelaanbidders en abortusplegers beschouwd. De theorie dat
ze door de inquisitie tot heksen werden omgevormd, was gebaseerd op een
veertiende-eeuws document dat in 1829 werd aangehaald in een boek van de Franse
auteur Lamothe- Langon. Inmiddels is echter duidelijk geworden dat deze Fransman
een ervaren vervalser was (Cohn, 1975).
Toverkollen
Paus Innocentius VIII gaf in 1484 het sein tot een grootscheepse
heksenvervolging, die meer dan twee eeuwen zou duren. Zijn bul werd twee jaar
later opgenomen in de Malleus Maleficarum (Heksenhamer), het eerste handboek
voor heksenjagers, dat dank zij de uitvinding van de boekdrukkunst een ruime
verspreiding vond. De ketterjacht werd geleidelijk vervangen door de
heksenjacht, waaraan in de zestiende eeuw ook de Protestanten volop begonnen
deel te nemen. De heksen werden nog wreder behandeld dan de ketters: ze kregen
meestal geen kans om aan de brandstapel te ontkomen.
De aangeklaagden waren dikwijls oudere, alleenstaande vrouwen die voor hun
levensonderhoud deels afhankelijk waren van hun buurtgenoten. Ze zagen er wat
angstaanjagend uit, gedroegen zich afwijkend en waren geneigd voor zichzelf op
te komen door hun buren uit te schelden of te bedreigen. Als je zo'n kwaadaardig
mens een kan melk weigerde en vervolgens getroffen werd door een storm die je
oogst ruïneerde, door impotentie of door een sterfgeval in je familie, dan lag
het voor de hand om dit onfortuin aan de kwade krachten van de toverkol toe te
schrijven. Ook vroedvrouwen en beoefenaars van de volksgeneeskunst werden vaak
van zwarte magie verdacht.
Op het platteland was het geloof in toverkrachten al eeuwenlang wijdverbreid en
er werden soms ook daadwerkelijk magische hulpmiddelen aangewend om het eigen
lot ten koste van anderen te verbeteren. Het was echter niet eenvoudig om iemand
voor zulke praktijken te laten boeten omdat het strafproces aanvankelijk
accusatoir was. Dit betekende dat men zelf als aanklager naar voren moest treden
met overtuigend bewijsmateriaal. Als de aangeklaagde niet bekende of als de
bewijzen ontoereikend waren, kon de rechter zijn toevlucht nemen tot een
godsoordeel. Zo kon hij opdracht geven de verdachte geboeid in het water te
gooien. Indien zij zonk (voordat ze aan een touw weer werd opgehaald), was haar
onschuld bewezen en werd de aanklager bestraft. Aangeklaagden konden zich ook
verdedigen door met hulp van een aantal eedhelpers te zweren dat ze onschuldig
waren. Het was dus riskant om iemand op grond van vage vermoedens te
beschuldigen!
Martelingen
Door de invoering van de inquisitoire rechtspraak, die in de zestiende eeuw
overal in Europa werd toegepast, werd het veel gemakkelijker om vermeende heksen
of andere devianten te elimineren (Levack, 1987). Verdachten konden worden
aangegeven bij de wereldlijke autoriteiten, die dan zelf een onderzoek
instelden. De beklaagden werden veroordeeld als twee ooggetuigen hun misdaad
hadden gezien of als zij zelf bekenden. In gevallen van hekserij waren er
doorgaans geen ooggetuigen, magische attributen werden zelden gevonden en men
kon vaak niet eens vaststellen of er inderdaad een misdaad was gepleegd. Daarom
maakte men intensief gebruik van martelingen om een bekentenis los te krijgen.
De martelingen waren aanvankelijk aan regels gebonden. Het was verboden om
verdachten meer dan eens naar de martelkamer te brengen, er mochten geen
suggestieve vragen worden gesteld, een bekentenis moest buiten de martelkamer
worden herhaald en de feiten die aan het licht kwamen moesten worden
geverifieerd. Deze regels werden echter al spoedig niet meer in acht genomen
omdat men niet het risico wilde lopen een heks op vrije voeten te laten. Heksen
werden extra hard aangepakt om hun toverkracht te breken en hen aan de greep van
de demonen te ontworstelen. De rechters gingen er voor de zekerheid van uit dat
alle aangeklaagden schuldig waren en namen aan dat God de onschuldigen de nodige
kracht zou geven om de martelingen te doorstaan.
De rechters waren niet in de eerste plaats geïnteresseerd in het kwaad dat de
heksen hun buren hadden aangedaan, maar in hun connecties met de duivel. Ze
gebruikten standaardvragenlijsten om de heksen te laten bekennen dat ze op
bezemstelen naar hun bijeenkomsten vlogen, waar ze hulde brachten aan de duivel,
aan orgieën deelnamen, de sacramenten ontheiligden en uit kindervet toverzalf
vervaardigden. Zo werden de aangeklaagde vrouwen tijdens het onderzoek tot leden
van een duivelse sekte gebombardeerd. Ze werden ook aangespoord om
medeplichtigen te identificeren, waardoor soms een kettingreactie op gang kwam
die tientallen slachtoffers eiste. Zulke panische heksenjachten, die vooral in
Duitsland voorkwamen, eindigden pas wanneer men begon te beseffen dat er steeds
meer mensen werden aangeklaagd die niet beantwoordden aan het stereotype beeld
van een heks.
Psychisch gestoord
Er waren heksen die bekentenissen hebben afgelegd zonder dat ze gemarteld
werden. Volgens sommige wetenschappers rapporteerden zij hallucinaties die waren
opgewekt door psychotrope substanties in de zalf waarmee ze zich insmeerden. Er
zijn recepten bekend waarin onder meer giftige nachtschaden zitten verwerkt. In
de oudste recepten, die uit de vijftiende eeuw dateren, zijn zulke stoffen
echter niet te vinden. Deze bevatten alleen kindervlees, vleermuisbloed,
spinnekoppen en andere bizarre ingrediënten. Bovendien vertelden de heksen
aanvankelijk dat ze niet hun lichaam maar hun bezemsteel insmeerden. Ook indien
ze de zalf wel op hun lichaam aangebrachten, was dat vermoedelijk niet erg
effectief. Daar komt bij dat bijna niemand ooit heeft gezien dat een heks zich
met zalf insmeerde.
In psychiatrische kringen heeft men dikwijls verondersteld dat veel heksen
psychisch gestoord waren. Misschien meenden ze naar de sabbat te zijn gevlogen
omdat ze schizofreen waren. De bekende MPS-therapeut Colin Ross sprak onlangs
het vermoeden uit dat de aangeklaagden dikwijls een zogenoemde borderline
persoonlijkheidsstoornis hadden en als kind seksueel misbruikt waren. We kunnen
er echter zelden zeker van zijn dat een bekentenis inderdaad vrijwillig is
afgelegd (Spanos, 1978). Verdachten mochten 'vrijwillig' bekennen nadat men hun
de beschikbare martelwerktuigen had getoond. In de Heksenhamer wordt bovendien
geadviseerd ze voor te spiegelen dat ze niet ter dood zullen worden gebracht als
ze al hun zonden opbiechten. Veel heksen zouden er achteraf gezien verstandig
aan hebben gedaan als ze meteen alles hadden toegegeven, want dan zou hun veel
leed bespaard zijn gebleven.
Engeland vormde een gunstige uitzondering omdat het martelen van heksen daar
niet was toegestaan, al werden ze wel met lange naalden overal in hun lichaam
geprikt om een ongevoelige plek op te sporen, het zogenaamde duivelsteken. Er
zijn in totaal niet meer dan vijfduizend Engelse heksen aangeklaagd, waarvan
minder dan de helft werd opgehangen. Zij vlogen gewoonlijk niet op bezemstelen
en aten ook geen kindervlees, maar bekenden alleen dat ze hun buren kwaad hadden
gedaan, dikwijls met hulp van een demonisch huisdier. Ook deze bekentenissen
kunnen niet als geheel vrijwillig worden beschouwd: de aangeklaagden werden
langdurig geïsoleerd en door de autoriteiten onder grote druk gezet, ze mochten
soms niet slapen, er werden valse beloften gedaan en suggestieve vragen gesteld.
Niettemin lijkt het aannemelijk dat sommige aangeklaagden er van overtuigd
raakten dat ze werkelijk heksen waren die over kwade krachten beschikten.
De heksenjacht kwam pas tegen het einde van de zeventiende eeuw tot bedaren toen
het intellectuele klimaat veranderde. Er ontstond een mechanistisch wereldbeeld
waarin veel minder plaats was voor dogma's en demonen. In de rechtspraak begon
men hogere eisen te stellen aan het bewijsmateriaal en er kwam steeds meer
weerstand tegen de martelkamer. De dood van een koe of een andere tegenslag was
niet langer toereikend om iemand voor hekserij te kunnen aanklagen.
Dit artikel omschrijft een sceptische blik tegenover de heksenvervolgen. Lees
goed wat ik schrijf: over de heksenvervolgingen. Ik heb dit artikel toegevoegd
omdat ik het belangrijk vind om niet teveel verdwaalt te raken in zogenaamde
‘feiten’. Veel wordt gepubliceerd onder het mom van ‘feit’. Toch blijft hekserij
een levensstijl van beleving en hoe je deze beleeft is aan jou. Ik denk dat de
heksenvervolgingen weinig verbinding hebben met de ware wortels van dat wat wij
nu hekserij noemen.