Hans en Grietje
Aan de rand van een groot bos woonde eens een houthakker met z'n vrouw en
twee kinderen, Hans en Grietje. Ze waren erg arm. 's Nachts in bed konden
de houthakker en zijn vrouw niet slapen van de zorgen.
"Hoe moeten we onze kinderen te eten geven?" zei de houthakker,"
we hebben niet eens genoeg voor onszelf."
Toen zei zijn vrouw:" Morgenochtend nemen we ze mee naar het bos. We
zullen een vuur voor hen maken en wat brood aan hen geven. En daarna zullen
we aan het werk gaan en hen achterlaten."
"Maar de wilde dieren zullen hen verscheuren," zei de houthakker.
"Moeten we dan alle vier omkomen?" zei zijn vrouw.
Hans en Grietje konden van de honger ook niet slapen. Ze hoorden alles wat
hun ouders zeiden. Toen Hans merkte dat zijn ouders toch nog in slaap waren
gevallen, stond hij op en liep hij naar buiten. Hij verzamel-de een heleboel
witte kiezelsteentjes en daarna kroop hij weer in bed. De volgende ochtend
werden ze vroeg gewekt.
"We moeten naar het bos om hout te hakken," zei hun moeder.
Ze gaf Grietje een paar stukken droog brood. Hans had de kiezelsteentjes in
zijn zakken gestopt. Onderweg stopte hij telkens even om er één
te laten vallen. Toen ze op een open plek midden in het bos waren, maakte
de houthakker een vuur.
"Ga hier maar wat uitrusten," zei hij tegen zijn kinderen. "Wij
gaan wat verderop houthakken."
Hans en Grietje wachtten urenlang. Ze werden moe en vielen in slaap. Toen
ze weer wakker werden, was het midden in de nacht. De maan scheen.
"Kom," zei Hans tegen Grietje," ik weet de weg naar huis, want
ik heb een spoor gemaakt van kiezelsteentjes."
Zo liepen ze door de nacht, en toen het ochtend begon te worden, waren ze
weer thuis.
"Zijn jullie daar?" zeiden hun ouders.
"Ja," zeiden Hans en Grietje," we zijn er nog."
Een paar nachten later lagen hun ouders opnieuw te tobben en te praten. Ze
hadden weer niets anders dan een stuk droog brood voor hun vieren. En weer
zeiden ze dat er niets anders op zat dan Hans en Grietje in het bos achter
te laten. En weer hadden Hans en Grietje alles gehoord. En weer wilde Hans
kiezelsteentjes gaan rapen, maar de deur naar buiten zat op slot. De volgende
morgen maakte Hans een spoor van stukjes oud brood. Ze liepen heel diep het
bos in. Daar maakte de houthakker een vuur.
"Ga hier maar wat uitrusten," zei hij tegen zijn kinderen. "Wij
gaan wat verderop houthakken."
Hans en Grietje wachtten urenlang. Ze werden moe en vielen in slaap. Toen
ze weer wakker werden, was het midden in de nacht. De maan scheen. Hans en
Grietje probeerden het spoor van de broodkruimels te vinden, maar het was
er niet meer. De vogels hadden de kruimels opgegeten. Een paar dagen lang
zwierven de kinderen door het bos. Soms vielen ze van de honger in slaap.
En toen ze de moed al hadden verloren, zagen ze opeens een huisje staan, een
huisje dat gemaakt was van brood en koek en suikergoed. Ze renden er heen
en hapten van het huisje. Eindelijk hadden ze wat te eten. Maar toen hoorden
ze:
"Knibbel Knabbel Knuisje, wie knabbelt er aan mijn huisje?"
En uit de voordeur kwam een stokoude vrouw tevoorschijn.
"Kom maar binnen," zei ze," dan krijgen jullie melk en pannekoeken."
Hans en Grietje aten en dronken zoveel ze konden. Daarna werden ze in een zacht
bed gelegd. Ze vielen meteen in slaap. Maar de oude vrouw was een heks. Ze stopte
Hans nog voor hij wakker werd in een hok met een traliedeur ervoor. Ze deed
de deur op slot. Daarna maakte ze Grietje wakker. Grietje moest heel hard werken
voor de heks en kreeg haast niets te eten. Hans kreeg juist wel veel. De heks
wilde hem vetmesten en braden. Ze had slech-te ogen en daarom zei ze elke dag
tegen Hans:
"Steek eens een vinger door de tralies. Dan kan ik voelen hoe vet je al
bent." Maar dan stak Hans een stokje door de tralies, een stokje dat elke
dag even dun bleef. Na vier weken had de heks geen geduld meer.
"Ik ga je broertje braden," zei ze tegen Grietje."Maak de oven
maar aan."
En toen de oven gloeiend heet was, zei ze tegen Grietje:" Voel eens van
binnen of de oven heet genoeg is."
Maar Grietje had een plannetje. Ze deed net of ze de heks niet begreep.
"Hoe moet ik dat doen?" vroeg ze.
De heks deed het voor. En toen gaf Grietje haar een duw, zodat de heks in de
oven viel. Snel deed ze de deur van de oven op slot. Zo verbrandde de heks.
Ze was morsdood. Daarna bevrijdde ze Hans. In het huisje van de heks vonden
Hans en Grietje parels en diamanten. En de vogels, die eerst alle broodkruimels
hadden opgegeten, kwamen naar hen toe om het goed te maken, door hen de weg
terug te wijzen. Zo kwamen Hans en Grietje weer thuis.
Hun ouders waren heel blij dat ze hen terugzagen. Ze waren nooit meer arm en
lagen nooit meer 's nachts wakker.
EINDE.