De witte en de zwarte bruid
Die weiße und die schwarze Braut
Gebroeders Grimm - sprookjesnummer 135
Er was eens een vrouw,
en die ging met haar dochter en haar stiefdochter naar de akker om voer te snijden.
Toen kwam Onze Lieve Heer als een arme man naar haar toe en vroeg: "Waar
is de weg naar ‘t dorp?" "Als je die weten wil," zei de
moeder, "zoek hem dan zelf maar," en de dochter voegde er nog aan
toe: "Als je bang bent, dat je hem niet vindt, neem dan een wegwijzer mee."
Toen werd Onze Lieve Heer woedend op de moeder en de dochter, keerde hun de
rug toe en verwenste hen, zodat ze zwart zouden worden als de nacht en lelijk
als de zonde. Maar voor de arme stiefdochter was onze Heer genadig en hij liep
met haar mee, en toen ze dicht bij het dorp waren, gaf hij haar de zegen mee
en sprak: "Kies drie dingen en ze zullen gebeuren." Toen zei het meisje:
"Ik zou graag zo mooi en zo zuiver worden als de zon," en meteen was
ze blank en mooi als de dag. "En dan zou ik graag een geldtas hebben die
nooit leeg was," en dat gaf Onze Lieve Heer haar ook, maar hij zei: "Vergeet
nu het beste niet." En ze zei: "Maar in de derde plaats wens ik mij
na mijn dood het eeuwige leven." Ook dat werd haar toegestaan, en toen
bleef ze alleen.
Toen haar stiefmoeder
met haar eigen dochter thuiskwam, en zag dat ze allebei koolzwart waren geworden,
maar haar stiefdochter mooi en blank, werd ze woedend, nog erger dan eerst,
en het enige wat ze nog bedacht was, om haar verdriet te doen. Nu had de stiefdochter
nog een broer en die heette Reinier, en ze hield heel veel van hem en vertelde
hem alles, wat er gebeurd was. Eens op een keer zei hij tegen haar: "Zusjelief,
ik wil je portret schilderen, dan kan ik altijd naar je kijken, want ik houd
zoveel van je, dat ik je altijd zou willen aankijken." Toen antwoordde
ze: "Maar laat het dan aan niemand zien!" Nu schilderde hij zijn zuster
en hing het in zijn kamer op; maar hij woonde in het slot van de koning, want
hij was daar koetsier. Elke dag ging hij voor haar portret staan en dankte God
voor het geluk, zo’n lieve zuster te hebben. Maar nu was de vrouw van
de koning bij wie hij in dienst was, juist gestorven, en die was zó mooi
geweest, dat men nooit iemand, die net zo mooi was als zij, had kunnen vinden,
en de koning treurde nog altijd over haar. Nu merkten de bedienden van het hof,
dat de koetsier altijd voor dat schilderij stond, en ze vertelden dat aan de
koning. Hij liet het schilderij bij zich brengen, en toen hij zag dat het in
alles leek op zijn overleden vrouw, alleen, ze was nog mooier, raakte hij er
dodelijk verliefd op. Hij liet de koetsier bij zich komen, en vroeg, wie daar
was afgebeeld. De koetsier zei, dat het zijn zuster was, en de koning besloot
om niemand anders dan haar als vrouw te nemen, en hij gaf hem een koets en paarden
en gouden gewaden en hij zond hem naar haar toe om haar te halen. Reinier kwam
met de boodschap, en z’n zuster was heel blij, maar de zwarte was razend
jaloers, ergerde zich verschrikkelijk en zei tegen haar moeder: "Wat helpen
al uw toverkunsten nu, als u me toch zo’n geluk niet kunt geven."
"Wees maar stil," zei de moeder. "Ik zal ‘t jou wel bezorgen."
En door haar toverij behekste ze de ogen van de koetsier, zodat hij bijna blind
was, en de blanke stopte ze de oren dicht, zodat ze half doof was. Toen bestegen
ze de koets. Eerst de bruid met de heerlijkste kleren aan, dan de stiefmoeder
met haar dochter, en Reinier op de bok. Toen ze een poosje gereden hadden riep
de koetsier:
Zuster, ‘t regent in de wagen,
snel de mantel omgeslagen,
zodat je droog en zonder stof,
aankomt op de koningshof!
De bruid vroeg: "Wat zegt mijn broer?" "Och," zei de moeder,
"hij zei dat je je gouden mantel moest uittrekken en aan je zuster geven."
Toen trok ze die uit en deed hem de zwarte zuster om, en die gaf haar daarvoor
in de plaats een grijze jas. Ze reden verder, na een poosje riep haar broeder
nog eens:
Zuster, ‘t regent in de wagen,
snel de mantel omgeslagen,
zodat je droog en zonder stof,
aankomt op de koningshof!
De bruid vroeg: "Wat zegt mijn broer?" "Och!" zei de moeder,
"hij zei dat je je gouden kap af moest doen en aan je zuster geven."
Ze nam toen haar kap af en deed ze de zwarte zuster op en zat met haar blote
hoofd. Zo reden ze verder; en na een poosje riep haar broer nog eens:
Zuster, ‘t regent in de wagen,
snel de mantel omgeslagen,
zodat je droog en zonder stof,
aankomt op de koningshof!
De bruid vroeg: "Wat zegt mijn broer?" - "Och," zei de moeder,
"hij zei, dat je eens uit het rijtuig moest kijken." Maar ze reden
juist over een brug, die over een diepe rivier lag. Toen nu de bruid opstond
en zich uit de koets boog, duwden de twee anderen haar eruit, zodat ze in ‘t
water viel. Toen ze onder was, kwam op ‘t zelfde ogenblik een witte eend
boven de waterspiegel, en zwom de rivier af. De broer had er niets van gemerkt
en reed verder tot ze bij het kasteel kwamen. Nu leidde hij de zwarte naar de
koning alsof zij zijn zuster was, en hij dacht het ook echt, omdat het hem voor
de ogen schemerde, en hij toch in elk geval de gouden kleren zag blinken. Toen
de koning de grondeloze lelijkheid van zijn bruid zag, werd hij heel boos en
gebood dat de koetsier in een kuil zou worden geworpen, die vol otters was en
slangen. Maar de oude heks zag toch kans, de koning te betoveren en hem de ogen
te verblinden zo, dat hij haar en haar dochter bij zich hield en dat hij haar
nogal tamelijk geschikt vond, en hij werkelijk nog met haar trouwde ook.
Eens op een avond,
terwijl de zwarte bruid bij de koning op schoot zat, kwam er een witte eend
door de gootsteen in de keuken gezwommen en die zei tegen de koksmaat:
Jongetje, maak vuur an,
zodat ik mijn veren warmen kan.
Dat deed het koksmaatje, hij maakte een vuur aan, en toen kwam de eend aangewaggeld
en ging erbij zitten en schudde zich uit en streek zich de veren met haar snavel
glad. Terwijl ze zich zo koesterde, vroeg ze: "Wat doet Reinier mijn broer?"
en de koksjongen antwoordde:
Die is in de kuil gevangen,
bij otters en bij slangen.
En ze vroeg verder: "Wat doet de nare zwarte heks?" en de koksjongen
antwoordde:
Zij zit in de arm van de koning,
heeft een liefdevolle woning
waarna de eend zei: "God, heb medelijden als beloning." En ze zwom
door de gootsteen weer weg. De volgende avond kwam de eend terug en stelde dezelfde
vragen. En de derde avond nog eens. Toen kon de koksjongen het niet langer verzwijgen.
Hij ging naar de koning toe en vertelde hem alles. Maar de koning wou het zelf
zien; hij ging de volgende avond naar beneden en toen de eend de kop door de
gootsteen naar binnen stak, nam hij zijn zwaard en hakte haar de kop af, en
toen werd ze ineens het mooiste meisje van de wereld en precies als het portret,
dat de broer van haar had geschilderd. Nu was de koning blij, en omdat ze helemaal
kletsnat was, liet hij prachtige kleren brengen en liet haar zich daarmee kleden.
Nu vertelde ze hem, hoe ze door list en valsheid bedrogen was en tenslotte in
de rivier geworpen werd; en haar eerste vraag was, of haar broer weer uit de
kuil kon worden gehaald.
En toen de koning deze wens had vervuld, ging hij naar ‘t vertrek, waar de oude heks zat, en vroeg: "Wat verdient iemand, die zo en zo gehandeld heeft?" en hij vertelde, wat er gebeurd was. Toen was ze zo verblind, dat ze niets merkte, en ze zei: "Die verdient naakt in een vat met spijkers te worden gesloten en met een paard voor ‘t vat te worden voortgesleept." En dat werd allemaal met haarzelf gedaan, en met haar zwarte dochter. Maar nu trouwde de koning met de witte, met zijn mooie, echte bruid, en hij beloonde de trouwe broer, door hem rijkdom en aanzien te schenken.
EINDE
<<<
Terug naar verhaaltjes
<<< Terug naar heksenkring