De trommelslager
Der Trommler
Gebroeders Grimm - sprookjesnummer 193
Eens op een avond ging een jonge trommelslager heel alleen naar ‘t veld
en kwam bij een meer; en op de oever zag hij daar drie witlinnen lapjes liggen.
"Wat een mooi linnen!" zei hij en stak één van de lapjes
in zijn zak. Hij ging naar huis, dacht niet verder aan zijn vondst en ging in
bed liggen. Toen hij net wilde gaan slapen, was het of iemand hem bij de naam
noemde. Hij luisterde en daar hoorde hij een zachte stem, die riep: "Trommelslager!
Trommelslager! Word wakker!" Het was een donkere nacht en hij kon niemand
zien, maar het leek wel of er een gedaante voor zijn bed op en neer zweefde.
"Wat wil je?" vroeg hij. "Geef me mijn hemdje terug!" antwoordde
de stem, "je hebt het gisteravond bij ‘t meer weggenomen." "Dat
krijg je terug," zei de trommelslager, "maar dan moetje me ook zeggen,
wie je bent." "Ach," zei het stemmetje, "ik ben de dochter
van een machtige koning, maar ik ben in de macht van een heks geraakt en ik
ben op de Glazen Berg verbannen. Elke dag moet ik mij met mijn beide zusters
in ‘t meer baden, maar als ik mijn hemdje niet heb, kan ik niet wegvliegen.
Mijn zusters zijn al weggevlogen, maar ik moest achterblijven. Toe, geef me
alsjeblieft dat hemdje terug." "Wees gerust, arme meid," zei
de trommelslager, "ik zal het je meteen teruggeven." Hij haalde het
uit zijn zak, en gaf het haar aan in de duisternis. Ze nam het haastig en wilde
dadelijk weg. "Wacht nog even," zei hij, "het is mogelijk dat
ik je kan helpen." "Helpen kun je me alleen dan, als je de Glazen
Berg beklimt, en mij de macht van de heks bevrijdt. Maar je bereikt de Glazen
Berg nooit, en als je er al vlakbij was, dan kom je er toch niet tegenop."
"Wat ik wil, dat kan ik ook," zei de trommelslager. "Met jou
heb ik medelijden en bang ben ik niet. Maar ik weet de weg niet, die naar de
Glazen Berg gaat." "De weg gaat door het grote bos, waar de menseneters
wonen," gaf ze als antwoord, "meer mag ik niet zeggen." En toen
hoorde hij haar wegsuizen.
Met het aanbreken van de dag maakte de trommelslager zich klaar; hij hing zijn
trommel om, en ging zonder bang te zijn recht op het bos af. Toen hij een poosje
gelopen had en geen enkele reus zag, dacht hij: "Ik moet die langslapers
eens wakker maken!" en hij nam de trommel voor zijn buik en sloeg een roffel,
zodat de vogels met luid geschreeuw uit de bomen opvlogen. Het duurde niet lang
of er was ook een reus, die omhoog kwam: hij had in ‘t gras liggen slapen
en was zo groot als een dennenboom. "Jij kleine plaaggeest!" riep
hij hem toe, "wat loop je hier te trommelen en wek je me uit mijn diepste
slaap?" "Ik trommel," antwoordde de trommelslager, "omdat
er duizenden achter me aankomen: ze moeten de weg weten." "Wat willen
die hier in mijn bos?" vroeg de reus. "Ze willen je opruimen, en het
bos van tuig als jullie zijn, zuiveren." "Oho," zei de reus,
"maar ik trap jullie dood, als mieren!" "Dacht je dat je tegen
hen wat kon beginnen?" zei de trommelslager, "als je je bukt om er
één te pakken, dan springt hij weg en verstopt zich, maar als
je gaat liggen slapen, dan komen ze uit alle struiken te voorschijn en kruipen
over je heen. Ieder van hen heeft een stalen hamer aan zijn gordel, en daar
slaan ze jouw schedel mee in." De reus was verdrietig en dacht: "Als
ik me met dat slimme volk inlaat, dan kon het wel eens uitlopen op mijn eigen
ondergang. Wolven en beren knijp ik hun keel dicht, maar tegen die aardwurmen
kan ik me niet beschermen. Hoor eens hier, kereltje," sprak hij, "ga
nu maar weer weg. Ik beloof je dat ik jou en je maats in ‘t vervolg met
rust zal laten; en mocht je nog iets bijzonders te wensen hebben, zeg het dan,
ik wil je wel een plezier doen." "Je hebt lange benen," zei de
trommelslager, "je kunt sneller lopen dan ik; als je me nu eens naar de
Glazen Berg bracht, dan geef ik mijn maats een teken, dat ze terug moeten gaan,
en dan zullen ze je deze keer met rust laten." "Kom maar hier, wurm,"
zei de reus, "ga op m’n schouder zitten en dan zal ik je brengen
waar je wezen wilt." De reus tilde hem op, en de trommelslager begon daar
boven naar hartelust op z’n trommel te roffelen. De reus dacht: "Dat
is natuurlijk het teken, dat de anderen weer terug moeten trekken." Na
een poos stond er een tweede reus langs de weg, en die nam de trommelslager
van de eerste reus af, en stak hem in zijn knoopsgat. De trommelslager pakte
de knoop beet, die zo groot was als een schotel, hield zich daar aan vast en
keek heel vrolijk om zich heen. Dan kwamen ze bij een derde reus, en die nam
hem uit het knoopsgat van de tweede en zette hem op de rand van zijn hoed; daar
liep de trommelslager heel in de hoogte heen en weer en keek boven de bomen
uit, en toen hij in de blauwe verte een berg zag, dacht hij: "Dat is vast
de Glazen Berg" en dat was ook zo. Nu deed de reus nog een paar stappen,
en toen waren ze aan de voet van de berg aangeland, en daar zette de reus hem
af. Nu wilde de trommelslager, dat de reus hem ook op de top van de Glazen Berg
zou zetten, maar de reus schudde zijn hoofd, bromde wat in zijn baard en ging
naar het bos terug. Nu stond de arme trommelslager voor de berg, en die was
zo hoog, alsof er drie bergen op elkaar waren gestapeld, en daarbij had hij
een spiegelgladde wand, en hij begreep niet, hoe hij daar ooit op moest komen.
Hij begon er tegenop te gaan, maar dat was vergeefs, hij gleed er aldoor weer
af. "Als je nu eens een vogel was," dacht hij, maar wat hielp het
wensen, daar kreeg hij toch geen vleugels van. Terwijl hij daar zo stond en
zichzelf niet helpen kon, zag hij niet ver vandaar twee mannen die heftig vochten.
Hij ging naar hen toe en zag dat de strijd ging over een zadel, dat bij hen
op de grond lag en dat ze allebei wilden hebben. "Wat zijn jullie voor
dwazen!" sprak hij, "kibbel toch niet over een zadel, je hebt niet
eens een paard." "Het zadel is het waard om over te vechten,"
zei een van de mannen, "wie daar op zit en zich ergens wenst, al was het
aan ‘t eind van de wereld, die komt er aan, terwijl hij de wens nog uitspreekt.
Het zadel is van ons, het is mijn beurt erop te rijden, en hij wil het niet."
"Die strijd zal ik gauw beslechten!" zei de trommelslager, en hij
ging een eind van hen af en stak een witte stok in de grond. Toen kwam hij weer
terug en zei: "Loop er nu heen, wie er ‘t eerst is, mag het eerst
rijden." Allebei begonnen ze te draven, maar pas waren ze een paar meter
op weg of de trommelslager zwaaide zich in ‘t zadel, deed de wens om bovenop
de Glazen Berg te zijn, en voor hij z’n hand had omgedraaid, was hij er
al. Boven op de berg was een vlakte, en daar stond een oud, stenen huis, en
voor dat huis lag een grote visvijver, en erachter een donker bos. Mensen of
dieren zag hij niet, ‘t was alles stil. Alleen ruiste de wind in de bomen,
en de wolken zeilden heel dichtbij over zijn hoofd voorbij. Hij ging naar de
deur, en klopte aan. Toen hij drie keer had geklopt, werd de deur opengedaan
door een oud mens met een bruin gezicht en rode ogen; ze had een bril op haar
lange neus en ze keek hem scherp aan en vroeg toen wat hij wilde. "Toegang,
eten, slapen," antwoordde de trommelslager. "Dat kun je krijgen,"
zei de oude vrouw, "maar je moet er drie dingen voor doen." "Waarom
niet?" antwoordde hij, "ik ben niet bang voor werk, al is het nog
zo zwaar." De oude liet hem binnen, gaf hem eten en ‘s avonds een
goed bed. ‘s Morgens, toen hij uitgeslapen was, nam de oude een vingerhoed
van haar dorre vinger, gaf hem aan de trommelslager en zei: "Ga nu maar
aan ‘t werk en schep de vijver leeg met deze vingerhoed; maar vóór
het nacht wordt, moet je klaar zijn, en alle vissen die er in de vijver zijn,
moeten uitgezocht worden naar de grootte, en naast elkaar op een rij worden
gelegd." "Een merkwaardige taak," zei de trommelslager, maar
hij ging naar de vijver en begon te scheppen. Hij schepte en schepte de hele
morgen, maar wat kun je met een vingerhoed uitrichten als het om een grote vijver
gaat, ook al zou je duizend jaar scheppen? Toen het middag werd, dacht hij:
"Ik schiet toch niet op; het geeft niet of ik ‘t doe of ‘t
niet doe." En hij hield ermee op en ging zitten. Toen kwam er een meisje
het huis uit, zette een mandje eten neer en sprak: "Je zit er zo treurig
bij, scheelt er wat aan?" Hij keek haar aan en zag dat ze heel mooi was.
"Ach," zei hij, "de eerste taak kan ik al niet aan; hoe zal het
dan met de andere taken gaan? Ik ben uitgegaan om de dochter van een koning
te zoeken, die hier ergens woont, maar ik heb haar niet gezien; ik zal maar
liever verdergaan." "Blijf vooral hier," zei het meisje, "ik
zal je uit de nood helpen. Je bent moe; leg je hoofd in mijn schoot en ga slapen.
Als je weer wakker wordt, is de taak af." Dat liet de trommelslager zich
geen tweemaal zeggen. Zodra hem de ogen waren dicht gevallen, draaide ze aan
een toverring en sprak: "Water: weg! Vissen: uit!" Dadelijk steeg
het water als een stofnevel in de hoogte en zeilde als een wolk weg naar de
andere wolken, en de vissen klapten en sprongen het water uit en gingen naar
de grootte keurig in de rij naast elkaar liggen. Toen de trommelslager wakker
werd, zag hij met verbazing, dat alles al gebeurd was. Het meisje echter zei:
"Eén van de vissen ligt niet op zijn plaats bij zijn eigen soort,
maar helemaal apart. Als de oude vanavond komt, en ziet dat alles wat ze geëist
heeft, klaar is gekomen, dan zal ze ook vragen: Wat moet die ene vis daar apart?
Gooi haar dan die vis in haar gezicht en zeg: Die is voor jou, ouwe heks."
‘s Avonds kwam het oude mens en toen ze de vraag had uitgesproken, gooide
hij de vis in haar gezicht. Ze deed of ze het niet merkte, maar ze zweeg en
keek hem met boze blikken aan. De volgende morgen zei ze: "Gisteren had
je het al te makkelijk, ik moet je nu een moeilijker taak opdragen. Vandaag
moet je het hele bos omhakken, het hout hakken, splijten en op hopen stapelen,
en ‘s avonds moet alles klaar zijn." Ze gaf hem een bijl, een hamer
en twee wiggen. Maar toen hij met boombakken begon, toen was de snee van de
bijl krom, en de hamer en de wiggen kregen deuken, want het was een loden bijl
en de hamer en de wiggen waren van blik. Nu kon hij er niets mee beginnen; maar
‘s middags kwam het meisje hem weer troosten. "Leg je hoofd maar
in mijn schoot," zei ze, "en ga slapen; als je wakker wordt, dan is
de taak voltooid." Ze draaide haar toverring, en op dat ogenblik viel het
hele bos met groot gekraak om, het hout spleet zich vanzelf en ging op keurige
hopen liggen; het was of onzichtbare reuzen aan het werk waren. Toen hij weer
wakker werd, zei het meisje: "Zie je, het hout is gekloofd en opgetast;
er is één enkele tak over, en als het oude mens vanavond komt
vragen, wat die tak daar moet, dan geef je haar daarmee een klap en je spreekt
deze woorden: Dat is voor jou, ouwe heks!" Het oude mens kwam. "Zie
je nu," zei ze, "hoe makkelijk deze taak was. Maar waarvoor ligt die
tak daar nog?" "Voor jou, ouwe heks," antwoordde hij en gaf er
haar een klap mee. Ze deed of ze het niet voelde, ze lachte alleen gemeen en
sprak: "Morgenvroeg moetje al dat hout op één stapel leggen,
het aansteken en verbranden." Met het eerste morgenkrieken stond hij op
en begon het hout bijeen te slepen, maar hoe kan één enkel mens
een heel bos opstapelen? Hij schoot niet op. Maar het meisje verliet hem niet
in zijn nood: ze bracht hem ‘s middags eten, en toen hij gegeten had,
legde hij zijn hoofd in haar schoot en ging slapen. Toen hij wakker werd, stond
de hele berg van hout in brand met een ongelooflijk laaiende gloed, zodat de
tongen lekten tegen de hemel. "Luister nu goed," sprak het meisje,
"als de heks komt, zal ze je allerlei opdrachten geven; doe zonder angst
wat ze verlangt, want dan heeft ze geen vat op je, maar als je bang bent dan
zal het vuur je pakken en verteren. En aan ‘t eind, als je alles klaar
hebt, dan pak je haar op met twee handen en gooit haar middenin de vlammen."
Nu ging het meisje weg. Daar kwam de oude vrouw aangeslopen. "Hu, wat heb
ik het koud!" zei ze, "maar dat is nog eens een vuurtje dat brandt,
dat warmt mijn oude botten, dat doet nog eens goed. Maar daar ligt nog een blok,
dat wil niet branden; haal dat er eens uit. Als je dat gedaan hebt, ben je vrij
en dan kun je gaan waarheen je wilt. Flink! Ga er maar in!" De trommelslager
aarzelde niet lang, hij sprong midden in de vlammen, maar ze hadden geen macht
over hem, ze verzengden niet eens zijn haar. Hij bracht het blok erbuiten en
legde het neer. Maar nauwelijks had het hout de grond geraakt of het veranderde
van gedaante en het mooie meisje stond voor hem, zij die hem al drie maal uit
de nood geholpen had: en aan haar zijden kleren met de gouden weerschijn, zag
hij wel dat zij die prinses was. Maar de oude vrouw lachte giftig en sprak:
"Nu denk je dat je haar hebt, maar je hebt haar nog niet!" Juist wou
ze op het meisje los gaan en haar wegtrekken, of hij pakte de oude heks met
allebei zijn handen, hief haar in de hoogte en wierp haar in de vlammenzee,
zij sloegen over haar hoofd samen, alsof ze verheugd waren, een heks te kunnen
verbranden. De prinses keek daarop de trommelslager eens aan, en toen ze zag
dat hij een knappe jongen was en bedacht dat hij zijn leven had ingezet om haar
te verlossen, gaf ze hem haar hand en zei: "Je hebt alles voor me gewaagd,
maar ik zal ook alles voor jou doen. Als jij me trouw belooft, dan zul je mijn
man worden. Goederen hebben we genoeg, want alles wat de heks bijeengebracht
heeft, is voor ons meer dan voldoende." Ze bracht hem het huis in, en daar
waren kisten en kasten vol met schatten. Ze lieten het goud en het zilver liggen
en namen de edelstenen alleen. Maar op de Glazen Berg wilden ze niet langer
blijven, en hij zei tegen haar: "Ga maar op m’n zadel zitten, dan
vliegen we als vogels naar beneden." "Van dat oude zadel moet ik niets
hebben," zei ze, "ik hoef alleen maar aan mijn wens-ring te draaien,
dan zijn we thuis." "Goed," zei ze de trommelslager, "wens
dan dat we voor de stadpoort komen." In een oogwenk waren ze daar, maar
de trommelslager zei: "Ik wil eerst naar mijn ouders gaan en hun vertellen
wat er allemaal gebeurd is, blijf hier buiten op me wachten, ik ben gauw terug."
"O!" zei de prinses, "pas toch vooral op, kus je ouders bij je
komst niet op de rechterwang, want dan zul je alles vergeten, en dan zou ik
hier eenzaam en verlaten buiten de stad achterblijven." "Hoe kan ik
jou vergeten?" zei hij, en hij gaf er haar de hand op, gauw terug te komen.
Toen hij in het ouderlijk huis kwam, wist niemand wie hij was, zo veranderd
was hij, want de drie dagen die hij op de Glazen Berg had doorgebracht, waren
drie lange jaren geweest. Toen zei hij wie hij was, en z’n ouders vielen
hem vol vreugde om de hals, en hij was zo ontroerd, dat hij hen op beide wangen
kuste en niet dacht aan wat het meisje gezegd had. Zodra hij hun echter een
kus op de rechterwang had gegeven, vervloog elke gedachte aan de prinses. Hij
pakte z’n zakken uit en legde handenvol van de allergrootste edelstenen
op tafel. Zijn ouders wisten niet wat ze met al die rijkdom moesten beginnen.
En de vader bouwde een prachtig slot omgeven door tuinen, bossen en weiden,
alsof er een vorst in kwam wonen. En toen dat klaar was, zei de moeder: "Ik
heb een meisje voor je uitgezocht, en over drie dagen zal de bruiloft zijn."
En de zoon vond alles best wat de ouders wilden. De arme prinses had geruime
tijd voor de poort van de stad staan wachten op zijn terugkomst. En toen het
avond werd, zei ze: "Vast en zeker heeft hij zijn ouders op de rechterwang
gekust en daardoor mij vergeten." Haar hart werd treurig en ze wenste dat
ze in een eenzaam hutje in het bos zou wonen en ze wilde niet meer naar haar
vader terug. Elke avond ging ze weer naar de stad waar hij woonde, en ze liep
langs zijn huis, hij zag haar vaak, maar hij herkende haar niet meer. Eindelijk
hoorde ze de mensen zeggen: "Morgen is zijn bruiloft." Toen zei ze:
"Ik zal toch een poging wagen om zijn hart weer te winnen. Toen de eerste
bruiloftsdag gevierd werd, draaide ze aan haar toverring en zei: "Een gewaad,
glanzend als de zon." Meteen lag het voor haar, en het glansde zó
alsof het van louter zonnestralen was geweven. Toen alle gasten gekomen waren,
trad zij de zaal binnen. Iedereen verbaasde zich over haar kleding, de bruid
wel het allermeest, en omdat mooie kleren haar grootste genoegen waren, ging
ze naar de vreemde vrouw toe en vroeg of zij het haar wilde verkopen: "Niet
voor geld," antwoordde ze, "maar als ik deze nacht voor de deur mag
blijven waar de bruidegom slaapt, dan zal ik het u geven." De bruid ging
het gewaad boven alles, ze kon dat niet bedwingen en ze stemde in het verzoek
toe, maar ze mengde een slaapdrank in het avondwijnglas van de bruidegom, zodat
hij in een diepe slaap viel. Toen alles stil was geworden, hurkte de prinses
voor de deur van de slaapkamer, opende die op een kier en riep naar binnen:
"Trommelslager!
hoor mij aan!
Heb je mij dan toch vergeten?
Hebben we op de Glazen Berg niet samen gezeten?
Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven?
Heb je me tot trouw niet de hand gegeven?
Trommelslager! hoor mij aan!"
Maar het was allemaal tevergeefs en de trommelslager werd niet wakker, en toen de morgen aanbrak, moest de prinses onverrichterzake weer weggaan. De tweede avond draaide zij aan haar toverring en sprak: "Een gewaad van zilveren manestralen." Toen ze in dit kleed, dat teer was als maneschijn, op het feest kwam, wekte ze de begeerte van de bruid weer op, en ze gaf het haar ten geschenke voor de toestemming om nog een nacht voor de deur van het slaapvertrek te mogen doorbrengen. Toen riep ze in de nachtelijke stilte:
"Trommelslager!
hoor mij aan!
Heb je mij dan toch vergeten?
Hebben we op de Glazen Berg niet samen gezeten?
Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven?
Heb je me niet je hand tot trouw gegeven?
Trommelslager! hoor mij aan!"
Maar de trommelslager verdoofd door de slaapdrank, was niet wakker te krijgen. Treurig ging ze ‘s morgens weer naar haar huisje in het bos terug. Maar de bedienden in het huis hadden de klacht van het onbekende meisje gehoord, en vertelden er de bruidegom over, en ze zeiden hem ook, dat ‘t voor hem niet mogelijk was geweest er iets van te horen, omdat de bruid een slaapdrank in zijn wijn had gemengd. De derde avond draaide de prinses de toverring en zei: "Een gewaad, fonkelend als sterren." Toen ze zich daarin op het feest liet zien, was de bruid buiten zichzelf van verrukking over dit gewaad dat de beide andere nog verre overtrof en ze zei: "Ik zal en ik moet het hebben." En het meisje gaf het haar, zoals de andere, voor de toestemming de nacht door te brengen voor de deur van de bruidegom. Maar hij had niets van de wijn gedronken, maar ‘t glas achter ‘t bed leeg gegooid. En toen alles in huis stil was geworden, hoorde hij een zachte stem die hem riep:
"Trommelslager!
Hoor mij aan!
Heb je mij dan toch vergeten?
Heb je op de Glazen Berg niet bij me gezeten?
Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven?
Heb je me niet je hand tot trouw gegeven?
Trommelslager! Hoor mij aan!"
Opeens kwam de herinnering weer bij hem terug. "Ach!" riep hij, "hoe heb ik zo trouweloos kunnen handelen; maar de kus, die ik mijn ouders in mijn vreugde op de rechterwang heb gegeven, die is de schuld van alles, die heeft mij verdoofd." Hij sprong op, nam de prinses bij de hand en bracht haar voor het bed van zijn ouders. "Dit is de ware bruid," sprak hij, "als ik met de andere trouw, bega ik een groot onrecht." Toen de ouders hoorden hoe alles in zijn werk was gegaan, gaven zij hun toestemming. Nu werden de lichten in de zaal weer aangestoken, pauken en trompetten rukten aan, de vrienden en familie werden uitgenodigd om terug te komen en de echte bruiloft werd met grote feestvreugde gevierd. De eerste bruid mocht de mooie kleren houden als vergoeding, en ze legde zich bij ‘t gebeurde neer.
EINDE
<<<
Terug naar verhaaltjes
<<< Terug naar heksenkring