De man zonder hoofd. (Gent)
In het holst van de nacht flakkerde een vuurgloed achter een kelderraam in de
Goucistraat in Gent. Een bakker was zijn oven aan het stoken.
De nachtwacht deed de ronde door de uitgestorven stad en had juist vier uur
gehaid, toen er op het kelderraam werd geklopt. De bakker nam een half brood
van de vorige dag van de plank en opende het raam. Een klamme hand pakte het
aan en de geheimzinnige klant verdween zonder een woord. Zijn naam was Naart
Stuyk.

Naart Stuyk liet zijn vrouw voor zich werken, sloeg haar bont en blauw en verzoop
haar zuurverdiende geld. Op een dag kreeg ze er genoeg van, gooide een flesje
vitriool over zijn kop toen hij zijn roes lag uit te slapen, en verhing zich.
Zijn tronie was zo gruwelijk verminkt, dat zelfs de duivel er voor op de loop
ging.
Alleen 's nachts vertoonde hij zich op straat om brood te halen.
Hoe hij aan zijn eind is gekomen, weet geen mens. Zijn ziel heeft geen rust,
en bij nacht en ontij doolt hij door sloppen en stegen. Een wegvluchtende schaduw
is alles wat men van hem ziet.
De bakkers van Gent hebben altijd een half brood voor hem klaar liggen. Want
als ze hem met lege handen laten gaan, valt hun deeg plat en bederft het meel.