De ijzeren kachel
Der Eisenofen
Gebroeders Grimm - sprookjesnummer 127
In de tijd datje
nog kon wensen, werd een prins door een oude heks verwenst, en hij moest in
‘t bos in een ijzeren kachel zitten. Daar bleef hij vele jaren en niemand
kon hem daaruit verlossen. Eens kwam er een prinses in het bos, ze was verdwaald
en kon het rijk van haar vader niet terugvinden; negen dagen zocht ze het bos
door en tenslotte stond ze voor de ijzeren oven. Er klonk een stem uit de kachel
en vroeg haar: "Waar kom je vandaan, en waar wil je heen?" Ze antwoordde:
"Ik kan mijn vaders rijk niet meer vinden en kan niet meer thuis komen."
Toen klonk het uit de kachel: "Ik wil je wel weer naar huis helpen, en
zelfs heel gauw, als je schriftelijk beloven wilt om te doen, wat ik wil. Ik
ben een prins uit een groter rijk dan het jouwe, en ik zal met je trouwen."
Ze schrok en dacht: "Mijn hemel wat moet ik met een kachel!" Maar
omdat ze graag weer naar het huis van haar vader wilde, tekende ze toch, dat
ze doen zou wat hij wilde. Maar hij zei: "Je moet terugkomen met een mes,
en een gat in het ijzer krassen." En hij gaf haar een reisgenoot die naast
haar liep-en niets zei: maar hij bracht haar in twee uur weer thuis. Nu was
er groot feest in het slot, toen de prinses terugkwam, en de oude koning viel
haar om de hals en kuste haar. Maar ze was heel treurig gestemd en zei: "Vader,
wat ik allemaal beleefd heb! Ik zou niet eerder thuisgekomen zijn uit dat grote,
wilde woud, als ik niet langs een ijzeren kachel was gekomen, en ik heb ervoor
moeten tekenen dat ik weer bij hem terug zou komen, hem verlossen en tenslotte
met hem trouwen." Nu schrok de oude koning zo hevig, dat hij haast flauw
gevallen was, want hij had alleen maar één dochter. Men hield
raad en ze wilden de molenaarsdochter, een mooi meisje, in haar plaats zetten;
ze brachten haar weg, gaven haar een mes en zeiden dat ze krassen moest op de
ijzeren kachel. Ze kraste vierentwintig uur lang, maar ze kon er niets afkrijgen.
Toen het dag werd, klonk het uit de kachel: "Ik geloof dat het buiten dag
wordt." Zij antwoordde: "Dat geloof ik ook, het is alsof ik vaders
molen hoor klapperen." "Dan ben je de molenaarsdochter, ga dan maar
gauw terug en laat de prinses komen." Ze ging weg en zei tegen de oude
koning: die daarbuiten moest niets van haar hebben, hij wilde zijn dochter.
De koning schrok verbazend en zijn dochter huilde. Maar ze hadden nog de dochter
van de varkenshoeder, en die was nog veel mooier dan de molenaarsdochter, en
ze zouden haar wat geld geven, zodat ze in plaats van de prinses naar de ijzeren
kachel zou gaan. Ook die werd erheen gebracht en zij bleef ook vierentwintig
uur schrappen, maar ze kreeg er niets af. Toen de dag aanbrak, klonk het in
de oven: "Ik geloof, dat het buiten dag wordt." Zij antwoordde: "Dat
geloof ik ook, het is of ik vaders horentje hoor blazen." "Dan ben
je de dochter van de varkenshoeder; ga maar dadelijk weg en laat de prinses
komen, en zeg haar, alles zal gebeuren zoals ik haar beloofd heb, maar als ze
niet komt, zal in ‘t hele rijk alles in verval raken en instorten en er
zal geen steen op de andere blijven." Toen de prinses dat hoorde, begon
ze te huilen: maar er zat niets anders op, ze moest haar belofte houden. Ze
nam dus afscheid van haar vader, stak een mes in haar zak en ging naar het bos
en naar de ijzeren kachel. Ze kwam aan en begon te schrappen, en het ijzer bood
geen weerstand, en toen er twee uur voorbij waren, had ze al een klein gaatje
gemaakt. Ze keek naar binnen, en o! het was een zeldzaam knappe jongeman, en
hij fonkelde van edelstenen en goud, en hij was precies als de prinses graag
wilde. Nu bleef ze nog harder schrappen en maakte het gat zo groot, dat hij
naar buiten kon. Toen zei hij: "Je bent de mijne, ik ben de jouwe, je bent
mijn lieve bruid en je hebt me verlost." Hij wilde haar met zich meenemen
naar zijn rijk, maar zij smeekte hem om nog eenmaal naar haar vader te mogen
gaan, en dat stond de prins haar toe, maar ze mocht niet meer met haar vader
spreken dan alleen drie woorden, en dan moest ze weer terug. Zo ging ze naar
huis; maar ze sprak meer dan drie woorden; toen verdween de ijzeren kachel meteen
en werd ver weggesleept over glazen bergen en snijdende zwaarden, maar de prins
was verlost en zat er niet meer in. Nu nam ze afscheid van haar vader en nam
wat geld mee, maar niet veel, en ze ging weer naar het bos en zocht de ijzeren
kachel, maar die was er niet meer. Negen dagen lang zocht ze, haar honger werd
zo hevig dat ze geen raad meer wist, want ze had niets meer om van te leven.
En toen het avond was, ging ze in een kleine boom zitten om daarin te overnachten,
want ze was bang voor roofdieren. Tegen middernacht zag ze een klein lichtje
voor zich, heel in de verte, en dacht: "O, dan zou ik wel eens gered kunnen
worden," en ze klom uit de boom en volgde het lichtje, maar onderweg deed
ze een gebed. Ze kwam toen bij een klein, oud huisje, er was veel gras omheen
gegroeid, en er stond een kleine houtstapel voor. Ze dacht: "Waar ben je
hier aangeland?" en ze keek door een raampje naar binnen, en toen zag ze
binnen niets dan kleine dikke padjes, maar ook een tafel mooi gedekt met wijn
en vlees, en de borden en de bekers waren van zilver. Ze vatte moed en klopte
aan. Meteen roep de dikste:
"Meisje, groen en klein,
hinkepoot,
hinkepoots hondje,
loop eens vlug, vroeg en laat,
en kijk eens wie daar buiten staat!"
Daar kwam een kleine pad aan en deed haar open. Ze trad binnen en allen riepen
haar een welkom toe, en ze moest gaan zitten. Ze vroegen: "Waar komt u
vandaan? Waar moet u naartoe?" En ze vertelde alles, hoe het gegaan was,
en omdat ze het gebod overtreden had, niet meer dan drie woorden te spreken,
was de kachel ver weg en de prins erbij: nu wilde ze zo lang zoeken en over
berg en dal zwerven, tot ze hem weer vond. Toen zei de oude dikke pad:
"Meisje, groen en klein
hinkepoot,
hinkepoots hondje,
loop maar af en aan,
en geef me de grote doos eens aan."
De kleine pad ging de grote doos halen en bracht die binnen. Daarop gaven ze
haar eten en drinken en brachten haar naar een mooi gespreid bed, zacht als
zijde en fluweel; daar ging ze in liggen en sliep in Gods naam. Toen het dag
werd, stond ze op, en de oude pad gaf haar drie naalden uit de grote doos; die
moest ze meenemen, ze zou ze nodig hebben, want ze moest over een hoge glazen
berg en over drie snijdende zwaarden en over een groot water: als ze dat allemaal
overwon, dan zou ze haar liefste weer terugzien. Ze kreeg dus drie dingen mee,
en daar moest ze goed op passen, namelijk drie grote naalden, een ploegwiel
en drie noten. Hiermee begon zij haar reis, en toen ze voor de glazen berg kwam,
die spiegelglad was, stak ze de naalden eerst achter aan de voet en dan weer
van voren en zo kwam ze er overheen, en toen ze er overheen was, verborg ze
de naalden op een plek die ze goed onthield. Daarop kwam ze bij de drie snijdende
zwaarden, en ze ging op het ploegwiel zitten en rolde er zo overheen. Tenslotte
kwam ze bij een groot meer, en toen ze daar overgevaren was, bij een mooi, groot
slot. Ze ging er naarbinnen, en vroeg om werk; ze was een arm meisje en wilde
zich graag verhuren; maar ze wist dat de prins daar was, die ze verlost had
uit de ijzeren kachel in het grote bos. En zo werd ze aangenomen als koeienhoedstertje
tegen een heel klein loon. Nu had de prins echter weer een ander meisje aan
zijn zijde waar hij mee wilde trouwen, want hij dacht dat ze allang gestorven
was. ‘s Avonds toen ze de afwas klaar had, voelde ze eens in haar zak
en vond daar de drie noten, die de oude pad haar had gegeven. Ze beet er één
open om de kern op te eten, en zie, er zat een trots, koninklijk gewaad in.
Toen de bruid dat hoorde, kwam ze vragen om dat toilet, wilde het kopen en zei:
"dat was toch niets.voor een hulpje." Maar ze zei: "Nee,"
ze wou het niet verkopen, maar als men haar iets zou willen toestaan, dan zou
ze zo graag één n#cht slapen in de kamer van de bruidegom. De
bruid gaf toestemming omdat het zo’n prachtig gewaad was en ze er nog
geen had dat zo mooi was. ‘s Avonds zei ze tegen haar bruidegom: "Dat
dwaze meisje wil in jouw kamer slapen." "Als jij het goed vindt, is
het mij ook best," zei de bruidegom. Maar ze gaf hem ‘s avonds een
glas wijn waar ze een slaapdrank in gedaan had. Zo gingen ze allebei in die
kamer slapen, maar hij sliep zo vast, dat zij hem niet wakker kon krijgen. De
hele nacht huilde ze en riep: "Ik heb je bevrijd uit het dichte bos en
uit een ijzeren kachel, ik heb je gezocht en mijn weg is gegaan over een glazen
berg, over drie snijdende zwaarden en over een groot water, voor ik je weergevonden
had, en nu wil je me niet aanhoren." De bedienden hielden voor de kamerdeur
de wacht en hoorden hoe zij de hele nacht jammerden, en ze vertelden dat ‘s
morgens aan hun meester. De volgende avond na het afwassen, beet ze de tweede
noot open, en daar zat nog een veel mooier kleed in; toen de bruid dat zag,
wilde ze het ook kopen. Maar het meisje wilde er geen geld voor hebben maar
ze vroeg of ze nog eens in de kamer van de bruidegom slapen mocht. De bruid
gaf hem echter een slaapdrank, en hij sliep zo vast, dat hij niets hoorde. Maar
het hoedstertje riep de hele nacht huilend: "Ik heb je uit het bos verlost
en uit de ijzeren kachel, ik heb je overal gezocht en mijn weg ging over de
glazen berg, over drie snijdende zwaarden en over een groot water, voor ik je
gevonden had en nog wil je me niet aanhoren." De bedienden zaten op wacht
voor de deur en hoorden hoe ze zo de hele nacht doorjammerde, en ze zeiden het
‘s morgens tegen hun heer en meester. En toen ‘t meisje de derde
avond had afgewassen, beet ze de derde noot open, en toen was daar een nog mooier
gewaad in, dat stijfstond van zuiver goud. De bruid zag het en wilde het absoluut
hebben, maar het meisje gaf het alleen op voorwaarde, dat ze nog een keer in
de kamer van de bruidegom mocht slapen. Maar de prins was op zijn hoede en hij
liet de slaapdrank staan. Toen ze nu weer begon te huilen en te jammeren: "Mijn
lieveling, ik ben het die je verloste uit ‘t gruwelijke, donkere bos en
uit de ijzeren kachel," toen sprong de prins al op en riep: "Dit is
de ware bruid, ik ben de jouwe en jij bent de mijne." En hij ging nog dezelfde
nacht met haar in een rijtuig en de kleren van de valse bruid namen ze weg,
zodat ze niet kon opstaan; toen ze bij het grote water kwamen, stapten ze in
een schip, bij de drie snijdende zwaarden gingen ze samen op het ploegwiel zitten,
en voor de glazen berg stak ze de drie naalden in hun schoenen. Eindelijk kwamen
ze weer bij het oude, kleine huisje, maar toen ze er binnenkwamen werd het opeens
een groot slot: de padden waren verlost en het waren allemaal prinsen en prinsessen
en er was grote blijdschap. Hier werd de bruiloft gehouden en ze bleven in dat
slot: het was veel groter dan dat van haar vader. Maar de oude vader jammerde
dat hij zo alleen moest blijven, en ze reden erheen en haalden hem bij zich,
en ze hadden zo twee koninkrijken, en ze leefden in een gelukkig huwelijk.
En toen kwam er
een muisje met een snuit,
en blies het sprookje uit.
EINDE
<<<
Terug naar verhaaltjes
<<< Terug naar heksenkring