De heksenappel (Limburg)

In een der gehuchten van Wittem woonde een heks.
Zij was er maar op uit, om kinderen dingen te geven, die hen slecht bekwamen. De ouders van een zeker kind hadden dit uit angst voor een kwade hand, ingeprent nooit iets aan te nemen van anderen, noch van bekenden, noch van vreemden.
Eens, dat het kind speelde voor de deur van het ouderlijk huis, kwam de oude heks aan.
Zij droeg een korfje onder den arm.
Toen zij bij het kind kwam, riep zij het en gaf het uit haar mandje een mooien, dikken appel.
Het kind was er erg blij mee en sprong er mee naar huis, waar het den appel aan zijn ouders liet zien.
"Van wie hebt je dien appel gekregen?" vroeg de vader.
"Ik heb je nog zo verboden iets aan te nemen!"
"Van die en die vrouw heb ik hem", antwoordde het kind.
"Dan hier ermee!" riep de vader boos en zette de appel op den schoorsteenmantel.
Negen dagen later, toen de ouders en het kind juist aan tafel zaten, barstte de appel op de schoorsteenmantel met een knal uiteen en kroop er een groote pad uit.







De vader begreep wel, wat daarachter zat.
Hij sprong van zijn stoel, greep vlug de appel en pad en wierp beiden in het vuur.
Nauwelijks lag de pad in het vuur of de heks, die dien appel aan het kind gaf, stond voor het huis op de huisdeur te bonzen en probeerde uit alle macht om binnen te komen, terwijl zij maar aldoor schreeuwde: "Houdt op! Houdt op! Haalt mij uit het vuur! Ik verbrand! Ik verbrand!"
"Als je dan verbrandt", riep de vader woest, "verbrandt dan maar tot polver! (=poeder)"
Toen de pad geheel verbrand was, hield de heks op met schreeuwen.
De man, die niets meer hoorde, opende de deur en vond op den drempel het verkoolde lichaam van het wijf.

Ik krijg er niet genoeg van en wil meer lezen

<<< Terug naar heksenkring