ALVERMANNEKES (ook auwelmenkes) (Limburg)
Deze wezentjes zijn als de dwergen die we in zovele sprookjes ontmoeten. Andere namen voor deze wezens zijn: auwelmannekes, alvermennekes of kaboutertjes. De volksmond vertelde dat ze niet groter waren dan een paddestoel en dat ze in spelonken, grotten of holen onder de grond leefden.
Het over heel de wereld verspreide sprookje van Repelsteeltje duikt regelmatige
in sagen op. Zo waren er in Wellen de alvermannekes, die in een hol van de Bolderberg
zaten, eens de was kwam doen. Toen die gedaan was, eiste één van
hen de dochter voor zich op als vrouw als de vader zijn naam niet kon raden.
Het meisje had reeds een mooie, jonge vrijer en wist niet wat gedaan van droefheid.
Ook de ouders niet, want stel je voor je dochter te moeten afstaan aan zo’n
lelijke alverman met een lange baard. Tot iemand op het idee kwam te gaan zoeken
waar het hol van die alverman was. Een aantal mannen trokken naar de Bolderberg
en begon daar overal te zoeken en vooral te luisteren. De eerste dag vonden
ze niets, maar de tweede dag, zo tegen de avond, hoorden ze iemand de hele tijd
zingen en steeds maar opnieuw: “Ik heet Kwispelton – Kwispeltuit.
Morgen trouw ik met mijn bruid!”. Nu wisten ze genoeg en ze gingen vlug
terug naar Wellen om het meisje, dat de hele tijd had zitten wenen, gerust te
stellen. De volgende dag was ook de alverman weer daar, zeker van zijn stuk.
Hij lachte en zei dat ze drie keer mochten raden. Met opzet zegden de ouders
twee keer zo maar een naam en de alverman dacht dat hij het pleit al gewonnen
had. Maar toen ze zegden dat hij Kwispelton – Kwispeltuit heette, riep
hij kwaad dat de duivel het hun gezegd had. Hij werd heel rood en verdween door
het sleutelgat.

Sage uit Heers
De alvermannekes en de hüssen (vrouwelijke kabouters) woonden in spelonken en grotten. Als je veel wasgoed had, dan moest je het klaarzetten in een kuip en je moest er een wit brood met boter langs de kuip zetten. Als je dit deed dan kwamen de alvermannekes 's nachts de was doen. Je moest hen echter niet wegjagen. Als je dit wel wilde, dan moest je 's avonds erwten op de grond strooien, want daar konden ze niet op lopen.
CONCLUSIE
Alvermannekes werden
in bepaalde streken als goede wezentjes aanzien, die de mensen hielpen. In andere
streken waren ze echter meer een plaag: ze gingen mensen pesten, gereedschap
stelen en zorgen voor lichamelijke kwalen.
In de eerste helft van de twintigste eeuw verdwenen zijn langzaamaan en het
volksgeloof wijtte hun vertrek aan het luiden van angelusklok.