Toen ze in 1629 werd aangehouden op beschuldiging van toverij was Lijne Backers
een jonge vrouw. Naar eigen zeggen was ze 35 jaar oud. Langer dan gewoonlijk
ontkende ze de haar ten laste gelegde misdrijven. Maar tenslotte werd de foltering
ook haar te zwaar en vertelde ze haar levensverhaal. Ze vermengde haar vermeende
relatie met de duivel met werkelijk gebeurde feiten uit haar leven. Hierdoor
is het moeilijk de werkelijkheid van de fictie te onderscheiden. Nochtans staat
het vast dat de vrouw geestesziek was en dat ze hysterische aanvallen of misschien
wel epileptische toevallen kreeg. Ze was geobsedeerd door de duistere machten
en mogelijk zelfs was ze een gevaar voor de mensen in haar omgeving.
Catlijne Backers was afkomstig van Geertruidenberg. Haar moeder zou een boze vrouw zijn geweest die reeds vroeg het echtelijk dak had verlaten. Samen met haar vader verhuisde ze een aantal keren en belandde zo in Baarle-Nassau. Ze was nauwelijks 15 jaar oud toen haar vader haar zeer vroeg in de morgen verliet. Wanhopig rende Lijne hem achterna, maar ze kon hem niet meer inhalen. Op een kruispunt raakte ze het spoor bijster en zonk ze vermoeid en huilend neer om te rusten.
Dan ontmoette ze een jongeman, helemaal in 't zwart gekleed, die haar meenam naar Breda. In herberg De Vetpot, gelegen aan de Ginnekenpoort, gaf hij haar iets te eten en een glas bier. Rondom haar vloog een dikke vlieg die ze maar niet kon afweren. Bij het drinken slikte ze de vlieg naar binnen zonder die terug uit te spuwen. Hierdoor kreeg ze voor het eerst een flauwte: bijna een halve dag bleef ze in comateuze toestand. Intussen had iemand uit de herberg de vorster gewaarschuwd, die Lijne met de kar naar Baarle liet brengen.
Catlijne Backers werd uitbesteed op een Ulicotense boerderij, ergens tussen de Reut en de Heikant. Toen ze daar verbleef, kreeg ze weer het bezoek van de jongeman. Toen pas bemerkte ze dat hij door niemand anders kon worden gezien. Hij sprak met een holle stem en drong er voortdurend op aan het platteland te verlaten. Zij moest in de stad een haren kleed kopen en met hem verre landen bezoeken. Hij wilde eveneens dat zij haar geloof zou afzweren en zich aan hem zou onderwerpen. Nooit zou hij haar dan gebrek doen lijden. Lijne was totaal overstuur. Ze huilde voortdurend en beweerde schrik te hebben dat zij anderen "den duyvel soude overgheven". Radeloos wilde ze in de waterput springen, wat haar tweemaal met geweld werd belet.
Na drie of vier weken onafgebroken onrust wendde ze zich tot de pastoor. Samen gingen ze naar de kerk om er te bidden voor Sint-Bernardus.
Na een korte periode van beterschap vertrok Lijne uiteidelijk met de onzichtbare jongeman naar Breda. Ze kocht er een haren kleed waarna ze in de kerk een voorspoedige reis wou afsmeken.
Maar in het portaal stootte de kwelgeest haar omver en verbood haar ooit nog een kerk te betreden. Drie dagen lang bleef ze buiten kennis. Terwijl ze bewusteloos was, liet men Jezuïten, Augustijnen en Minderbroeders bij haar komen. Die hoorden haar verschillende vreemde talen spreken, waaronder het latijn. Allen zagen dat haar bed door elkaar werd gesmeten en allen kregen potten naar het hoofd geslingerd. In de kelder werd de melk zuur en stroomde het bier vanzelf uit de vaten.
De geestelijken begrepen dat ze bezeten was en deden haar overbrengen naar het "dulhuys", waar ze onophoudelijk werd belezen. Op een nacht werden de boeien aan haar handen en voeten verbroken en werd ze door de duivel weggevoerd naar een grote heide. Lijne zag er duizenden mensen springen, dansen en de liefde bedrijven. Haar duivelse metgezel wenste dat zij met hem hetzelfde zou doen. Toen ze eindelijk alleen waren, zette hij haar op een grote boom. Hij stak aan haar linkerhand een ader open. Met haar bloed schreef de duivel op een briefje dat Lijne hem zou erkennen als haar meester en enige god. Ze ondertekende het papier omdat hij ermee dreigde haar uit de boom te trekken en zo haar nek te breken. Ze was ook bang dat ze nooit meer thuis zou geraken. Het verbond met de duivel was gesloten.
Nooit zou ze de brief terug in haar bezit krijgen.
Gedwongen door de onophoudelijke bezweringen van de geestelijken bracht de duivel Lijne terug naar de tuin van het dulhuis. Daar werd ze 's morgens gevonden onder het raam van een priester. Vier jaar lang verbleef Catlijne Backers in het dulhuis van Breda. Al die tijd werd ze gekweld om afstand te doen van haar geloof en aangezet om toverij te bedrijven.
Na haar ontslag uit het dulhuis verspreidde haar faam als toveres zich snel over de stad. Uiteindelijk werd ze overal lastig gevallen. Jarenlang zelfs werd ze achtervolgd, uitgescholden en verjaagd. In 1629 werd ze aangehouden op verdenking van hekserij. Achterdochtige burgers getuigden ter hare laste. Meermaals werd Lijne gefolterd, waarbij ze een uitzonderlijke moed vertoonde.
Eerst werd het haar van de verdachte overal afgeschoren om op het lichaam te zoeken naar het duivelsmerk, het zogenaamde stigma diabolicum, dat volgens het bijgeloof voornamelijk moest worden gezocht onder de linkeroksel, op het rechterbeen of op het voorhoofd. Een moedervlek, een wrat of een litteken waren voldoende om de beul te laten besluiten dat hij het duivelsmerk had gevonden.
Dagenlang werd de verdachte ondervraagd. Een eerste ondervraging leidde niet tot bekentenissen, waarna werd overgegaan tot de pijniging. In aanwezigheid van de schout, twee schepenen, de communiemeester, de raadspensionaris en een griffier toonde de beul aan de verdachte zijn foltertuigen en verklaarde haar de werking ervan. Omdat de ongelukkige de gevraagde bekentenis bleef weigeren, werd overgegaan tot de lichtere graad van tortuur: de geseling. Daarna werden achtereenvolgens de ladder, de palei en de halsband gebruikt.
Lijne werd met de handen aan de bovenst sport van de ladder vastgebonden. Door middel van een windas trok de scherprechter haar met de voeten naar beneden. Anderhalf uur lang bleef ze daar hangen. "Heel lanck heeft sy stille ghebleven, waer naer sy heeft geseght: ghy en sult van my soo niets kryghen, ick en segghe niets al doode gy my." Toen de beul de stok ter hoogte van haar enkels losmaakte, hingen de voeten zeven centimeter lager dan voor de foltering met de ladder.
Omdat bekentenissen uitbleven, werd Catlijne Backers naar de palei gebracht. De palei bestond uit een katrol en een touw. De handen van de verdachte werden achter de rug samengebonden waarna ze met de katrol werd opgetrokken: een schouder-ontwrichting was het gevolg. "Alsoo staet te noteren dat sy een ure in de palleye heeft ghehangen, sonder dat sy van pynen ooyt heeft gheroepen oft eenen traen ghelaeten, segghende alhoewel: Och Jesus staet my by; Och Heer helpt my toch."
Na een uur zonder bekentenissen werd Lijne de halsband omgedaan. De binnenkant van de houten halsband was voorzien van puntige nagels en aan de buitenzijde hingen koorden die aan de vier muren van de folterkamer werden vastgemaakt. Op die wijze kon de halsband niet meer van plaats bewegen.
De beklaagde, gezeten op een bankje, moest het hoofd kaarsrecht houden. Bij de minste beweging drongen de scherpe pinnen aan de binnenkant van de halsband in de hals en veroorzaakten daar ernstige verwondingen. Stilaan werd Lijne loslippig en volgden de bekentenissen elkaar op, vooral nadat de beul een paar slagen op de spankoorden gaf. De pinnen drongen diep in het vlees door. En toen hij een vuurtje stookte vlakbij de beklaagde, kon Lijne niet meer stil blijven zitten. Ze stierf nog liever dan verdere folteringen te moeten ondergaan. Catlijne Backers' weerstand was gebroken en ze bekende alles wat haar door de beul werd ingefluisterd. 's Anderendaags was ze maar al te graag bereid haar verklaringen te bevestigen, waarna ze door het bijeengetrommelde volk buiten de stadspoorten werd gevoerd. Laten we de optocht volgen en de terechtstelling bijwonen...
Vonnis in de zaak Catlijne Backers
Omdat gy, Catlijne Backers, oft soo gy anders genaemt syt,
geboren van Geertruydenberghe ende gewoond in Baerle-Nassau,
soo gy seght verlaeten hebt uwen Heer ende Godt,
ende u begeven hebt in de slavernije van den duyvel,
vijand der menschen, metten welcken gy gemaeckt hebt een verbond
dat gy menschen soudt doen sterven oft sieck maecken,
soo dat gy daervan soudt verrijcken...
Omdat gy, Catlijne Backers, met uwen consent
bijwoonde de vergaderinghe in de sabbath met veel tooveressen,
aldaer geteeckent hebt seecker biljetteken, geschreven met uw bloed,
inhoudende dat gy den duyvel, Steert-Af geheten, waert kennende voor uwen godt,
waernaer gy den voorzeyden duyvel hebt aenbeden,
den selve gecust ende bemint, waernaer gy terugvloogt op uwen bessem...
Welcken sabbath gy noch tot diversche reysen hebt gefrequenteerd,
namentlijck oock op de heye tusschen Baerle ende Ulicoten,
naby de Reithoef, waer gy gedanst hebt ende vleeschelijck contact had
met den duyvel, soo ist dat uwe reghterbeen verthoont eene quetsure
vanden duyvels clauwen...
Omdat gy, Catlijne Backers, betooveringhe hebt bekent
tsamen met twee vrouwpersonen, door u genaemt
Liesken Botermans ende Anna van Reuth,
die u syn comen besoecken door de schouwe
ende sekeren Hendric van de Wyngaerde
hebben getormenteerd door 't steken van speldekens in een wassen beeldeken,
ende seer miserabelyc hebben doen sterven...
Omdat gy, Catlijne Backers, hebt vermaledyt ende gestooten
de dochter van Geert Maes, die lam geworden synde ende luttel jaeren daernaer
kwam te sterven...
Omdat gy door gelijcke stooten hebt doen sterven
twee kinderen van Jan Christiaens ende Marie Toussaint...
Omdat gy hebt gestooten ende geslaghen een begyntjen genaemt Jenneken,
dewelck daardoor is bevanghen geworden met eene rasernye,
ende haere susters hebt gewenscht dat den duyvel hen soude haelen...
Omdat gy hebt gecommiteert verscheyde tooveryen
aen Maeyken vande Reythoef,
die is geweest in groote sieckten
soo gy achter haer huys kwaemt...
Omdat gy, Catlyne Backers, hebt geworpen met eenen steen
naer 't peert van den heere van Battenbroek,
dwelck luttel daegen daernaer gestorven is...
Omdat gy, Catlyne Backers, van dit alles hebt gehadt
het u by den duyvel beloofde loon,
hoewel het meeste is verandert in vuyligheid...
Omdat andere quade feyten ende toveryen syn gecommiteerd
ende dat oock de huysen daer gy hebt gewoont
gequeld syn geweest met boose geesten,
waer mede gy hebt begaen criem van toverye ende dootslaeghe,
van alle twelck gebleken is soo by eygen confessie
als d' informatie t' uwen laste genomen,
Soo ist dat mijne heeren schepenen deser stad van Breda gecondemneert
hebben dat gy,
Catlyne Backers, sult worden gestelt op een schavot,
gebonden aen eenen staeck ende aldaer geworcht tot de doot naevolgt...
Dat voorts uw doodt lichaem sal worden verbrand
ende uwe assche ende overblyvende beenderen begraven onder den galghe...
Dat eerst aen eenieder hier tegenwoordich, wordt opgediend een galgemael,
op uw versoecke eenen pot pompoenesoep...
Confiskerende al uwe goederen, soo haeve ende erve, soo gy enige hebt
binnen dese stad ende baronie,
ter betaelinge vande costen van justitie...
Waerin mijne heeren de schepenen u condemneren by dese, actum vrydagh den negenden october 1629
Men segghe het voort ...