Anna van Reuth was al geruime tijd weduwe toen haar naam in 1629 werd genoemd
tijdens de ondervraging en de marteling van Lijne Backers, een Baarlese heks.
Zonder het verdere verloop der gebeurtenissen af te wachten, nam ze het verstandige
besluit om dadelijk te vertrekken. Toen de vorster bij haar huis aanklopte om
Anneke in hechtenis te nemen, was de vogel gevlogen.
In Lier logeerde Anna van Reuth in een herberg aan de Grote Markt. Ze at vaak bij de ontvanger van de Staten van Brabant, mijnheer Van Rijckel, bij wie ze ook een tijdlang inwoonde. Vanuit Baarle kwam Arnold van Reuth zijn moeder achterna om een definitief onderkomen voor haar te zoeken. Op het begijnhof vond hij Agneet Peeters bereid zijn moeder kost en inwoon te verschaffen. Bij de notaris in Lier legateerde Anneke op 19 juli 1630 het ouderlijk huis, de huisraad en de beesten, kortom alle mobiele en immobiele goederen die ze te Baarle bezat, aan haar zoon in ruil voor een jaarlijkse alimentatie van 120 Carolusgulden. En alhoewel in een dergelijk contract meestal de plaats werd vermeld waar de goederen zich bevonden of tenminste de woonplaats van de begunstigde, werd in deze overdracht niet éénmaal Baarle genoemd.
Bij kreupele Agneet, zoals het begijntje werd genoemd, bleef Anna van Reuth ongeveer twee jaar wonen. Het begijntje stierf vrij onverwacht waarna Anneke verhuisde naar Claerken Broos aan het St.-Cathalijnekerkhof. Claerken werd zwaar ziek en Anneke nam haar intrek bij een oud vrouwke, Lieske van herberg Den Uyl. Lieske stierf aan de pest waarna de herberg werd overgenomen door Hendrik Claes, een 23-jarige metser. Anneke bleef in Den Uyl wonen.
In Baarle werd ondertussen door Arnold van Reuth het gerucht verspreid dat zijn moeder was gestorven. In Lier verkondigde Anneke van haar kant dat ze geen familie meer had. Groot echter moet de heimwee zijn geweest naar haar familie en haar geboortestreek. Urenlang zat ze voor het raam naar buiten te staren. Op een dag werd het haar teveel en nam ze een groot risico: ze vermomde zich en bezocht Baarle. Ze had geen geluk want verscheidene inwoners herkenden haar.
Allerlei geruchten deden spoedig de ronde waarna de vorster een onderzoek instelde. De voornaamste getuige was Ida van Loon die een paar jaar in dienst was geweest bij de familie Van Reuth. Arnold bezocht haar en dreigde ermee haar armen en benen stuk te slaan mocht zij iemand vertellen van haar ontmoeting met de reeds dood gewaande oude vrouw. Ida was echter niet de enige die beweerde haar te hebben ontmoet. Hein de smid zei dat Anna begijnenkleren droeg en vergezeld was van een andere vrouw.
De heimwee werd Anna van Reuth noodlottig: negen jaar na haar vlucht ontdekte de vorster dat zij in Lier verbleef. Op 30 januari 1638 werd door het gemeentebestuur van Baarle-Hertog een brief geschreven waarin werd medegedeeld dat de schout beslag had laten leggen op het vruchtgebruik van haar goederen, welke ze in fraude zou hebben verhandeld nadat Anneke als toveres uit het dorp was gevlucht. Ze moest zich voor de rechter komen verantwoorden. Anneke werd bij de overhandiging van de brief aangehouden en overgebracht naar de gevangenis van Turnhout.
Spontaan kwamen veel geburen en kenissen in haar voordeel getuigen: vooreerst verscheen de waard van Den Uyl. Hij verklaarde dat tijdens zijn afwezigheid Anneke de herberg openhield en geld ontving zonder dat er ooit iets ontbrak. Ze was doodeerlijk. De twee gezinnen die naast de herberg woonden, wisten niets dan goed van de gevangene te vertellen. Anneke had veel contact met hun kleine kinderen zonder hen ooit iets te misdoen.
Ook vanuit Baarle klonk niets dan lof: vrouw Vermeulen, de weduwe van Pieter Breda, verklaarde dat ze een maand naar Antwerpen was geweest en dat ze toen haar jongste kind had uitbesteed aan Anna van Reuth. De aangehoudene was een spiegel van deugd, verklaarde zij, en er was nooit iets slecht gebeurd. Zelfs de pastoor sprak voor haar ten beste, net als Elisabeth van de Plas, hofmeesteres van het Lierse begijnhof. Ze getuigden dat Anna zeer godvruchtig was en dagelijks naar de kerk ging.
Al was er een overvloed aan gunstige getuigenissen, toch werd Anneke beschuldigd van toverij. Ze werd ervan beticht de hand te hebben gehad in het overlijden van een kind dat bij kreupele Agneet op het begijnhof verbleef. Een begijntje kwam dit tegenspreken en verklaarde dat dit drama zich had afgespeeld voor de komst van de beklaagde.
Anna van Reuth had echter tijdens haar verhoor nagelaten te zeggen dat ze ook bij mijnheer Van Rijckel had gelogeerd. Dat werd haar fataal want tijdens haar korte verblijf daar was diens vrouw gestorven in het kraambed. Anna merkte waarschijnlijk als eerste dat er ook met het kind iets niet in orde was en ongetwijfeld uit angst om opnieuw te worden beschuldigd van hekserij, verliet ze in paniek het huis. Dit keerde zich tegen haar. En was ook kreupele Agneet niet plots gestorven net als Lieske, de vroegere uitbaatster van Den Uyl?
Na bijkomend onderzoek werd een zekere Perijn, moeder van Antonetteken, bereid gevonden om tegen Anna te getuigen. Omdat Perijn destijds ziek was, kwam Anneke geregeld op haar kinderen passen. Ze maakte ter genezing bierbrood klaar, waarbij oud brood werd gekookt in een pint bier. Anna wou het jongste kind ook wat geven, maar het wicht lustte het niet omdat ze nog maar twee maanden oud was. De oudste dochter, Antonetteken, kreeg een gezoden appel: een gekookte appel. Antonetteken at hem op, maar drie of vier dagen later waren de ledematen van het kind erg mismaakt en lam zodat het niet meer kon lopen. Ze kreeg daarbij op het achterhoofd een kale plek, die alsmaar groter werd. Perijn beweerde dat het kind betoverd was en ze ging ermee naar de paters Capucienen. Wel 27 maal werd Antonetteken bij de paters belezen. Ze zeiden dat het kwaad reeds te ver gevorderd was. De belezingen hadden dan ook geen resultaat. Antonetteken stierf en 's anderendaags kreeg het jongste kind dezelfde ziekte.
In wanhoop richtte Perijn zich tot Anna van Reuth: "Waerom toch hebt gy myn kinderen betoverd?"... "Och lief kind", zei Anneke, "dat gij eene oude vrouw zoo beschuldigt. Wel, Onse Lieve Heer heeft zoo veel verdragen, ik doe hetzelfde ter eeren Godts". Ze zeeg neer op een stoel en vroeg Perijn om weg te gaan. De onderpastoor adviseerde het jongste kind te laten sterven: mocht het genezen, dan zou de heks een ander pakt met de duivel sluiten en opnieuw iemand betoveren. Perijn echter liet niet begaan en genas haar kind eigenhandig, met stukjes was van een gewijde paaskaars en het hart van een lam. Op verzoek van de schout kwam ze naar de gevangenis in Turnhout. Perijn herkende Anneke meteen en zei: "Ick heb u geseyt dat gij soo vaeren soudt." Toen de cipier het vensterke dicht deed, antwoordde de oude vrouw nog: "Perijn, gij sult uw siele met mij besmetten."
Anna van Reuth werd na haar verhoor terug opgesloten in de gevangenis en leefde er in de meest erbarmelijke toestand. Om haar eigen woorden te citeren: ze verging van de vuiligheid en de miserie en ze was verstoken van verwarming. Daar ze zelf niet kon schrijven, liet ze de cipier een smeekschrift opstellen waarin ze vroeg om te worden overgeplaatst naar een kamer met een schouw, waar ze op eigen kosten vuur kon maken. Dat werd haar geweigerd omdat alleen de pijncaemer verwarmd kon worden en die moest vrij blijven. Haar verzoek om wekelijks proper lijnwaad te mogen ontvangen, werd eveneens afgewezen: haar lijnwaad was aangeslagen en al geïnventariseerd.
Anna van Reuth heeft in de gevangenis niet lang meer geleefd. Waarschijnlijk werd ze gefolterd en overleed ze aan de gevolgen ervan op 4 mei 1638. Ze heeft geen omgang met de duivel toegegeven en is dan ook niet als een heks gestorven. Dat weten we heel zeker omdat er op 14 juni in onze kerk een zieledienst voor haar werd opgedragen. Anneke was én van de laatste slachtoffers van de heksenwaan.