In de Noord-Transvaal schieten sinds het nieuwe Zuid-Afrika de getto's voor
ongewenste als paddestoelen uit de grond.
'In KwaZulu hebben ze Inkatha, hier
hebben we heksen.
' Een reportage over demonen, zwarte magie en andere kwade
krachten.

NOORD-TRANSVAAL - Nog steeds is er een derde macht in de Noord-Transvaal.
Mensen verdwijnen uit hun dorpjes en hun hutten om nooit meer levend te worden
gezien; soms worden hun verminkte lijken teruggevonden in de bosjes. Anderen
verdwijnen voor even en komen terug met een lege blik in hun ogen, vol verhalen
van angst en terreur. De slachtoffers zijn meestal vooraanstaande leden van de
zwarte townships en de dorpsgemeenschappen: schoolmeesters, nette huisvrouwen en
hun kinderen, jonge activisten, allen ANC-gezind, want in de Noord-Transvaal is
iedereen die weet hoe het hoort, lid van het ANC. Degenen die de terreur
bedrijven, zijn dat doorgaans niet: zij beschikken over de steun van kwade
krachten die buiten de gemeenschap staan, en ze wonen, als beloning voor hun
dienstbaarheid aan die krachten, doorgaans in betere, grotere huizen dan hun
buren. 'In KwaZulu hebben ze Inkatha, hier hebben we heksen' - over oude
tweestrijd en de kansen op verzoening tussen burger en baloi.
Het woord voor heks in Noord-Sotho is loya (meervoud 'baloi'). Het wordt
uitgesproken als het Engelse lawyer, wat geestig is vanwege de Noordtransvaalse
associatie tussen de heks en de impimpi, de Judas die zich heeft verkocht aan
blanke wetshandhavers. Maar dat is toeval, giechelen de ANC-vrouwen op het
vrouwenbureau van de nieuwe provinciale regering, die bij elkaar zijn gekomen om
me over hun ervaringen met heksen te vertellen. Betty, Auntie Maria en Yvonne
willen hun achternaam niet noemen, want ze weten best dat het ANC officieel niet
in hekserij gelooft, en riskeren een officiële reprimande liever niet. Maar
tegelijkertijd zijn ze blij dat in de Northern Province, zoals de
Noord-Transvaal in het nieuwe Zuid-Afrika officieel heet, nu hun eigen
ANC-mensen aan de macht zijn.
'Want hier geloven we er allemaal in', verduidelijkt Yvonne, die
ontwikkelingsprojecten doet. 'Vroeger, onder de blanken, ging je de gevangenis
in als je actie ondernam tegen een heks. Tegenwoordig luisteren de bestuurders
naar de communities. Bij klachten wordt er bemiddeld. De heks kan worden
weggestuurd uit de gemeenschap.'
Het gaat er tegenwoordig bij de heksenjachten inderdaad geciviliseerder aan toe
dan in de tijd van de grote opstanden in de tweede helft van de jaren tachtig.
Behalve Auntie Maria, die al wat ouder is, kregen mijn gesprekspartners hun
politieke vuurdoop in de Weed out the Witches Campaign die de ANC-jeugdliga in
de Noord-Transvaal in 1985 uitriep. 'De witches waren de verraders', vertelt
Betty, toentertijd tieneractiviste. 'Er verdwenen mensen, comrades, van wie we
later hoorden dat ze in blanke gevangenissen zaten, of waren doodgemarteld. Hoe
wisten de blanken van die comrades? Verantwoordelijk voor hun verdwijning waren
de heksen. Of ze nu met demonen of met blanken samenwerkten, hun duivelswerk
bleef hetzelfde.

'De woede tegen de heksen barstte pas los toen de politiek zich ermee
bemoeide'
Ze vertelt, enthousiast, maar nog nahuiverend bij de herinnering, hoe ze samen
met andere comrades een keer een heks ving. 'We hielden haar vast en de anderen
haalden benzine en een autoband.' Op dit punt laat Yvonne, mijn vertaalster, het
maar bij het Sotho. 'Je wilt toch niet echt dat ik dit vertaal, hè?' De afschuw
op haar gezicht spreekt boekdelen: Yvonne gelooft in hekserij en vindt ook dat
de bedrijvers ervan gestraft moeten worden, maar is daarom nog geen barbaar.
Ze heeft veel over het onderwerp nagedacht, vooral over de vraag waarom in de
jaren tachtig het verbranden van heksen ineens in de mode kwam. 'Het was vlak na
de eerste necklace-moord in Soweto', herinnert ze zich. 'Toen begonnen de
comrades hier plotseling ook aan necklacing te doen. Ik vraag me nog steeds af
waarom. Want vóór die tijd werd op een andere manier met heksen omgegaan. Als
iemand schuldig werd bevonden aan toverij, het maken van bliksem, of het
vergiftigen van iemands koeien, dan moest hij het goedmaken. Er werd
onderhandeld. Hij betaalde een stuk vee aan de chief, of moest een "goed"
medicijn drinken van een goede inyanga (traditionele dokter). Hij hoefde niet
dood. De woede tegen de heksen barstte pas los met de politiek.'
Voordat 'de politiek' zich vestigde in de Noord-Transvaal berustten de mensen in
de dorpsgemeenschappen in hun lot, dat sinds de apartheidsdeportaties van de
jaren zestig en zeventig een kwaad lot was geweest. Zonder werk, stedelijke
gebieden of zelfs rivieren - want zwarte dorpjes die aan rivieren lagen, werden
door de blanke administratie verplaatst, de droogte in - hadden ze gevegeteerd,
en waren gestorven zonder het besef wellicht iets tegen hun ellende te kunnen
doen.
Dat besef kwam tegelijk met het nieuws uit de rest van het land dat daar de
kwade elementen werden aangepakt. 'En bovendien kwamen er in dezelfde tijd ook
comrade fighters, van over de grens', vertelt Yvonne over de commando's van het
ANC-legertje Umkhonto we Sizwe, die vanuit Mozambique en Swaziland begonnen te
infiltreren in de Noord-Transvaal. 'Ze logeerden in de dorpen en zeiden dat ze
vochten tegen de vijand. Dat gaf ons volk moed. Wij wilden ook meedoen met de
struggle.'
Zoals in de stedelijke townships de volkswoede zich richtte tegen eenieder
die een impimpi kon zijn - variërend van wie wel eens met een blanke was gezien
tot wie zomaar ineens een groot huis of een eigen
kruidenierszaak had - zo
richtte de agressie (en frustratie) van de onderdrukte communities in de
Noord-Transvaal zich tegen diezelfde categorieën, maar nu met het label 'heks'.
En zowel in de Noord-Transvaal als in de rest van het land maakte de heksenjacht
op volksvijandige elementen vele, meest onschuldige, slachtoffers.
'Het is vaak gewoon jaloezie', geeft Yvonne toe als ik doorvraag. 'De mensen
kunnen het niet zetten als het iemand beter gaat dan de anderen. Daar moet iets
achter zitten, denken ze. Dus dan roepen ze "heks".' Tegelijkertijd houdt Yvonne
vol dat een goede inyanga wel degelijk in staat is om vast te stellen wie een
echte heks is en wie niet. 'Daarom hoor je naar de inyanga te gaan voordat je
actie onderneemt. En als het een goede inyanga is, zal hij de ware schuldige
aanwijzen.'
Yvonne weet van 'wel heel veel heksen' bij wie, nadat ze door de inyanga
aangewezen waren, inderdaad 'kindervingertjes' werden aangetroffen in de
medicijnkast. De literatuur geeft Yvonne daarin gelijk: in het Witchcraft Report
dat de provinciale regering in 1996 liet opstellen, komen verslagen en foto's
voor van in muti aangetroffen, in stukken gehakte lichamen, alsmede van een van
genitalia en borsten ontdane vermoorde vrouw. De politie in de streek houdt
routinegewijs bij elke kinder- of persoonsvermissing rekening met een
muti-moord.
'En als je zo iemand vangt', vraagt Yvonne retorisch en triomfantelijk, 'en je
weet dat hij of zij kindertjes vermoord en in stukken gesneden heeft, en hij of
zij geeft zelf tegenover de politie toe dat hij dat gedaan heeft voor muti, dan
mag je toch zeker wel zeggen dat je zo iemand niet meer in je dorp wil?'
In 1990, vlak na de vrijlating van Nelson Mandela, was het bijltjesdag in de Noord-Transvaal. In vele dorpjes en townships kwamen comrades bij elkaar om te
beslissen met welke heksen nu eindelijk in vrijheid
afgerekend kon worden. 'In
een shebeen(bar/pub) in Giyani werd een man aangesproken door comrades, die vroegen
waarom hij zo sikkeneurig keek. Was hij soms niet blij dat Mandela vrij was? De
man antwoordde dat hij niet eens wist wie dat was, Mandela. Hij werd meegenomen
naar een meeting, publiekelijk beschuldigd als heks, gestenigd en verbrand',
aldus het Witchcraft Report, dat over 1990 bijna honderd soortgelijke gevallen
beschrijft.
Na de golf van 1990 nam het aantal heksenmoorden gestaag af. 'Omdat mensen toen
iets anders aan hun hoofd hadden', is de interpretatie van diegenen in de
heksenonderzoekscommissie die zelf niet aan hekserij geloven. De statistieken
geven deze droge, meestal blanke of niet-autochtone waarnemers, gelijk: uit
cijfers blijkt dat de meeste heksenjachten plaatsvinden in golven, in tijden van
crisis of ingrijpende sociale gebeurtenissen.
Na 1990 brak een periode aan van hoop en met nieuwe moed werken aan verandering
en ontwikkeling. Een nieuwe golf heksenmoorden volgde pas weer toen de
gemoederen verhit raakten rond de verkiezingen in 1994 en de daaropvolgende
installatie van nationale en provinciale nieuwe leiders. 'Er is sinds de
democratie veel strijd gaande in onze gemeenschap', verzucht Yvonne. Ze
beschrijft hoe sinds de verkiezingen rivaliserende facties in de community met
elkaar strijden om banen, posities, aandacht en ontwikkelingsgeld. 'En met
vijandschap en jaloezie krijg je weer meer gedoe met heksen.'
'Als we dit kwaad laten sudderen,
kunnen ze uiteindelijk Mandela en andere leiders
beheksen, en waar zijn we dan?'
De provinciale ANC-regering, die heksenverbrandingen - of men er nu wel of
niet in geloofde - niet kon toestaan, besloot in 1996 tot een massale
'opvoedingscampagne'. Politie en lokale ANC-coryfeeën werden erop uitgestuurd om
townships en dorpjes ervan te doordringen dat geweld niet mocht en dat je voor
een heksenmoord nog steeds in de gevangenis kwam. De lokale bevolking werd een
andere optie geboden: het was wel toegestaan om de 'heks' op een openbare
bijeenkomst mee te delen dat zijn of haar aanwezigheid in de gemeenschap niet
langer op prijs werd gesteld. Verbanning dus.
Zodoende schieten sinds de aanvang van het nieuwe Zuid-Afrika de nieuwe getto's
voor ongewensten in de Noord-Transvaal als paddestoelen uit de grond. De
'heksendorpen', gevestigd op droge, verlaten stukken grond in het midden van
nergens, zijn trieste echo's van de geschiedenis van een volk dat in zijn geheel
zozeer heeft geleden onder forced removals.
Na een autoverziekende rit door een nietszeggend landschap, bereik ik eindelijk St. Helena, ballingendorp aan de rand van het gebied Moletsi. Ik heb toestemming
van de chief en de elders van Moletsi - 'meestal gaan de journalisten op eigen
houtje naar St. Helena om te schrijven over ons primitieve geloof in heksen en
die arme, onschuldige mensen', zei een van de ouderen in het wrakkige gebouw van
de oude tribal authority. 'Niemand praat ooit met ons over het probleem van
kwade elementen in de community.'

De andere ouderen knikten en lachten, ook de jonge, knappe chief zelf, die met
zijn tweed-jasje en vlekkeloze Engels het toonbeeld was van een progressieve
leider, die nog steeds goed contact had met zijn traditionelere mensen. Hij liet
in het midden wat hij geloofde, maar dat gaf niet: ook zonder het fenomeen
hekserij te bespreken, konden we het hebben over het reële probleem van
dissidenten, asociale individuen en outcasts. Een oude man met bakkebaarden
glimlachte voor zich uit en zei af en toe dat het 'meestal gewoon jaloezie' was
waarom iemand als heks werd verbannen. Maar ik moest zelf maar gaan kijken. Ze
hadden het heus niet slecht met de bewoners van het heksendorp voor. Ik zou zelf
wel zien dat er net een nieuwe school was gebouwd. Ik krijg een brief mee,
waarin chief Moloto zijn steun aan mijn 'project' uitspreekt.
Aan de huisjes in aanbouw, op een paar honderd meter van het kerndorp, is te
zien dat er nog meer 'heksen' in aantocht zijn. De school staat te glimmen in de
zon, er komt gospelmuziek uit een ghettoblaster. St. Helena lijkt een gewoon
dorp. Alleen de gastvrijheid laat te wensen over: twee keer worden Yvonne en ik
weggestuurd door argwanende bewoners die 'genoeg hebben van journalisten'.
De weerspannige gezichten van de mensen die zwijgend naar ons luisteren en dan
hun hoofd schudden, doen me nog het meest denken aan van NSB-sympathie
beschuldigde mensen in de kampen van na de oorlog. Dankzij de brief van chief
Moloto krijgen we uiteindelijk echter toegang tot de familie van een bejaarde
man
en zijn in traditionele inyanga-kledij (met sjaal en kralen) gehulde vrouw,
die onder een boom in de achtertuin met enkele jongere familieleden bier zitten
te drinken. Ook dat is een traditioneel tafereel in een dorp als dit, waar
weinig of niets anders te doen is; alleen zijn het in gewone, nette families
meestal alleen de mannen die alcohol gebruiken.
Het is dan ook de vrouw die in in dit geval het hoofd van de familie lijkt te
zijn - en zij was het dan ook, blijkt uit het relaas van de man, die van
hekserij werd beschuldigd. Terwijl haar man praat, kijkt de tanige vrouw me
voortdurend nors en uitdagend aan. Op elke gefluisterde vraag richting tolk
Yvonne, zelfs op elk gebaar of elke blik van mij, reageert ze razendsnel met een
'wat moet ze' of 'wat bedoelt ze'. Mocht ik al vijandige bedoelingen hebben, dan
steekt zij daar wel een stokje voor, straalt het gelooide gezicht met de
stekende ogen uit. Als het woord niet zo beladen was, dan zou ik haar
omschrijven als 'heks'.
De geschiedenis van deze familie verschilt niet wezenlijk van die van vele
anderen die van hekserij zijn beschuldigd. De vrouw is een inyanga, een
medicijnvrouw, die als zodanig al kennis bezat van kruiden, muti en magie. Sinds
haar familie ruzie kreeg met de rest van het dorp over een vermeend onwettig
verkregen stuk land, wordt aan haar inyangaschap een kwaadaardig karakter
toegeschreven. De familie viel ten prooi aan de eerste heksenjacht in 1986, en
sindsdien zijn haar leden van dorp naar township getrokken om aan het stigma te
ontkomen. Steeds kwamen de comrades uit het eerste dorp hen echter achterna om
ook de nieuwe omgeving op de hoogte te stellen van het 'gevaar' dat zij
vertegenwoordigden.
Ironisch genoeg is het nieuwe ballingendorp voor deze familie een uitkomst.
Iedereen zit hier immers in hetzelfde schuitje, hier wordt niet gejaagd. Een
dochter heeft zich aangesloten bij de apostolische Born Agains die sinds jaar en
dag in de Noord-Transvaal bekeerlingen maken onder de traditionele bevolking, en
die sinds het ontstaan van het dorp ook in St. Helena opgang maken.
'Hier worden we met rust gelaten. Hier zijn we gelukkig', zegt de vrouw en neemt
een ferme slok van haar bier. Ze geeft de kerkdochter opdracht ons te voorzien
van water en maroelavruchten, die liggen te drogen in de zon. Ze knikt
goedkeurend als we drinken en eten: aangezien we daarmee het risico nemen
betoverd te worden, is het een imposant blijk van vertrouwen. 'Jy's my meisie',
zegt ze in het Afrikaans, als ik op de traditionele manier dank je wel zeg, door
zacht in mijn handen te klappen.
Maar Yvonne vertrouwt het toch nog niet helemaal. 'Ik hoop maar dat er nu niets
ergs gebeurt', zegt ze als we weglopen, met een vertrokken gezicht van de zurige
smaak van de maroela's, en van de weerzin waarmee ze ze heeft ingeslikt. 'Hoorde
je hoe de oude vrouw zei dat ze nu gelukkig was? Dat kan betekenen dat ze nu
alle vrijheid en gelegenheid heeft om door te gaan met mensen beheksen.'
In Seshego, de township van de hoofdplaats Pietersburg, houdt lokaal
ANC-leider Freddy Ramaphakela zich bezig met een recent geval van hekserij. 'Het
is een zonneklare zaak', herhaalt hij door mijn autotelefoon. 'Het slachtoffer
is weer eens een activist die werkte voor de ontwikkeling van de gemeenschap.' Ramaphakela heeft zelf eens een heks zien vliegen, en is er dus van overtuigd
dat zwarte magie bestaat. En dat de demonische krachten van het kwaad zwakke
individuen gebruiken voor hun vernietigende werk in de community. Hij kan zelf
niet mee naar Seshego, maar als ik op zijn aanwijzingen ben aangekomen bij de
slachtoffers, de familie Phasha, licht hij de vrouw des huizes - wederom over
mijn autotelefoon - in over het doel van mijn komst. Hij adviseert haar 'niet
bang te zijn en het hele verhaal te vertellen'.
Het is een wezensvreemde scène: de bejaarde mevrouw Phasha die in de namiddagzon
over haar problemen met hekserij telefoneert met de provinciaal bestuurder in
zijn moderne kantoor in Pietersburg. Nieuwer Zuid-Afrika dan dit kan bijna niet.
Op zich is het heksenverhaal van mevrouw Phasha al net zo weinig opzienbarend
als dat van de inyanga in St. Helena. Ook in haar geval was de heks iemand die
doorgaat voor inyanga (het is de oude meneer Ndala, die op straat kruiden en
muti verkoopt) en lid van een familie die ook in andere opzichten als
antisociaal wordt beschouwd. Mevrouw Phasha vertelt dat het een jongen van de
Ndala-familie was die jaren geleden na een ruzie op een bruiloft haar jongste
zoon
doodstak. Maar toen zocht niemand daar iets achter, voegt ze er direct aan
toe.
Ze dacht pas aan hekserij toen vorige maand een van de Ndala-broers, een blinde,
zich ineens op haar erf bevond en tegen haar oudste zoon Frans riep dat 'hij hem
dood zou maken'. Hun vermoeden werd bevestigd toen de man tegenover de
township-gemeenschap bekende dat zijn ouderlijk huis talrijke in Seshego
overleden zielen bergde.
'We hebben ze omgetoverd in zombies, en Frans' dode broer is er ook', verklaarde
hij. 'Daarom moest Frans nu ook komen.' Het verweer van de Ndala-familie dat de
blinde broer een beetje achterlijk was en maar wat verzon, baatte niet: de
Ndala's zijn inmiddels ook weggestuurd uit Seshego. Hun huis, waarin geen
zombies, maar wel drie 'betoverde' kikkers werden aangetroffen, werd voor de
zekerheid verbrand.
'Hij heeft de politie nauwkeurig verteld wat hij met Frans Phasha van plan was',
betoogde Freddy Ramaphakela al toen hij me inlichtte over de zaak. 'En zijn
verhaal bleef ook na herhaalde ondervragingen consistent. Dat bewijst dat hij
niet zomaar wat raaskalde. Hij had velabathlege willen gebruiken, een
tovermedicijn dat het slachtoffer happy maakt, zodat hij meewerkt en braaf
meegaat.' Dat het plan desondanks mislukte, dankte hij aan het snelle optreden
van community en comrades, 'die wakker werden en de man op heterdaad betrapten'.
Die avond stond in de krant dat de conservatieve blanke generaal Constand
Viljoen ooit, toen hij nog hoofd van de South African Defence Force was,
opdracht gaf tot de ontwikkeling van een happy blacks gas, dat bij demonstraties
en opstanden door de veiligheidstroepen gebruikt kon worden, en dat een op de
hersenen werkende substantie bevatte die 'zwarten hun agressie moest ontnemen' -
de velabathlege van de blanke kwade krachten.
Freddy Ramaphakela's grootste zorg is dat de krachten van het oude blanke
establishment zullen samenspannen met de demonen van de zwarte magie. 'Ik heb al
vier goede vrienden, betrouwbare activisten, verloren aan hekserij. We kunnen
dit kwaad alleen bestrijden door het te erkennen en er op een politieke en
wetenschappelijke manier mee om te gaan. Als we het laten sudderen, kunnen ze
uiteindelijk Mandela en andere leiders beheksen, en waar zijn we dan?'
Ramaphakela suggereert als oplossing een 'ontwikkelingsproject' dat samen met
goede inyanga's de magische krachten moet bestuderen en 'losmaken' van de
demonen. 'Zodat ze deel kunnen worden van de westerse wetenschap. En beheerst.
Zodat kwaadwillende ze niet meer kunnen gebruiken.' Hij heeft al een
legermajoor en een 'westers opgevoede' huisarts die zijn plan voor een stichting
in deze ondersteunen.
Ramaphakela's benadering mag dan gebaseerd zijn op een geloof in toverkracht dat
vermoedelijk met de komst van meer technologische en economische ontwikkeling
uit de Noord-Transvaal zal verdwijnen, het is wel geheel in lijn met het
verzoenings- en waarheidsproces dat zich in heel Zuid-Afrika voltrekt, en in dat
verband ook volkomen logisch. Eerst moet de waarheid over het kwaad boven tafel
komen, zo luidt immers het post-apartheidsadagium, dan pas kunnen we met de
bedrijvers ervan tot verzoening komen. En verzoening met de heksen, zei ook de
raad van ouderen in Moletse, is daarom nu nog niet mogelijk.
'Ze verstoppen zich nog', antwoordde een van hen bedaagd toen ik erover begon.
'Hoe kun je vrede sluiten met iemand die zich nog steeds uitgeeft voor iets wat
hij niet is, en in het geniep doorgaat met zijn slechte plannen?' Maar dat is
precies als met de echte derde macht, wierp ik tegen. Die gaat ook nog steeds
door. Ik noemde de velabathlege van generaal Viljoen, en had het over de kans
dat er in blanke legersectoren nog veel meer duistere projecten gaande waren
waar de regering Mandela niets van wist. 'Precies', zei hij goedkeurend. 'We
hebben de waarheid over al die zaken nodig. Pas dan kunnen we besluiten hoe we
ermee omgaan. Nu staan we nog te machteloos.'
'Vrees voor hekserij en kwade krachten gaat altijd samen met machteloosheid',
zegt Tommy Ntsewa. 'Zodra een samenleving de eigen ontwikkeling gaat beheersen
en er zelfvertrouwen ontstaat, verdwijnt die angst.'
Ntsewa is politie-inspecteur, nieuw aangesteld door de ANC-minister van
politiezaken in de Northern Province, en hoofd van het Criminal Information
Centre, dat onderzoekt wat voor, en hoeveel, misdaden er worden gepleegd in een
bepaalde categorie, en op grond daarvan het beleid bijstelt. Uit hoofde van zijn
functie heeft hij al vele zaken rond hekserij bestudeerd, en zijn conclusie is
eenduidig: alleen in die gebieden waar werkelijke ontwikkeling en
democratisering plaatsvindt, waar mensen zogezegd voelen dat ze hun lot in eigen
handen hebben, nemen de heksenproblemen af. 'Historisch zijn veel slachtoffers
van heksenjachten mensen geweest die machtspolitiek en wreedheid bedreven
tegenover een gefrustreerde, machteloze bevolking. Door blanken aangestelde
corrupte thuislandleiders bijvoorbeeld. Maar nu zijn er nieuwe provinciale
bestuurders, er is betere communicatie en er begint een besef van eigen
mensenrechten te ontstaan.
Men weet dat er over twisten en problemen gepraat kan
worden. Dat haalt veel druk van de ketel.'Ntsewa weet best dat er nog veel water
door de Limpopo zal vloeien voordat de bevolking ophoudt in hekserij te geloven.
'Maar wij van de informatiedienst proberen mensen ervan te overtuigen dat ze op
een vreedzame manier met heksen kunnen omgaan. Als er minder dreiging is, zullen
mensen ook accepteren dat ze zelf minder harde maatregelen hoeven te gebruiken.'
Er zijn echter ook mensen die een tegengestelde ontwikkeling doormaken. Patrick
Mogale, bijvoorbeeld. Mogale was tot voor kort ANC-senator. Hij werd zowel uit
de senaat als uit het ANC gezet toen aan het licht kwam dat hij een
veertienjarig meisje zwanger had gemaakt. In de Noord-Transvaal wordt
gefluisterd dat Mogale, nu hij het niet heeft kunnen maken in het nieuwe
Zuid-Afrika, is teruggegaan naar zijn 'wortels' in het plattelandsdorp
Bushbuckridge, om zich daar te vestigen als inyanga. Men vreest dat hij zal
proberen om weer op traditionele wijze macht uit te oefenen, door heksen aan te
wijzen en heksenjachten te leiden.
'Hij speelt een gevaarlijk spel', zegt Yvonne fronsend. 'Zodra de mensen
erachter komen wat hij met dat meisje heeft gedaan, zullen ze hem als een kwade
toverdokter gaan zien.' En dan eindigt de ex-senator die zich wilde sterken aan
de magie der voorvaderen zelf op de brandstapel? 'Precies', zegt Yvonne. 'En
terecht.'